Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

al iets van kunnen bemerken. Het was vooral de afkeer van den partijstrijd, die hem deed zeggen: vóór alles moet de rechtmatige, Schriftuurlijke weg weer worden geopend om kerkelijke geschillen te beslissen, vóór alles moeten dus de door Christus ingestelde ambten weer in hunne rechtmatige functie worden hersteld. Thans zijn die ambten (van predikant en ouderling) gebonden door de bestuursmacht, die als een soort voogdij daarover is gesteld. Men moet dus beginnen met het begin: de Kerk moet worden bevrijd van hare onschriftuurlijke bestuursorganisatie van 1816 en daarvoor moeten de aloude, wettige, kerkelijke vergaderingen van ambtsdragers (Classicale vergadering, Prov. Synode, Nat. Synode) weer in de plaats komen en in hun volle, aloude rechten worden hersteld. *) Dat was een radicaal-andere weg dan Dr. Kuyper wilde. Dit stelle men zich goed voor oogen. Kuyper wilde desnoods de bestuursmacht nog wel behouden, als men maar zorgde, dat er van onder op een goede, krachtige, Gereformeerde partij werd gevormd, dan zou die de dingen langzamerhand en desnoods met geweld wel naar hare hand zetten. Kuyper's reformatiepogen was dus geheel op het partijwezen gegrond, terwijl Hoedemaker's pogen daar vlak tegen inging. En dit kwam hieruit voort, dat Kuyper in den grond van zijn hart een Doopersch individualist en independentist was (ook in zijn beschouwing van de overheid), terwijl Hoedemaker vasthield (evenals alle reformatoren) aan de Schriftuurlijke leer des Verbonds, die zich grondt op Gods belofte: „Ik zal Mijn verbond oprichten met u en met uw zaad na u", de ruime, milde verbondsgedachte, die eenmaal een Calyijn schrijven deed aan John Knox (toen hij evenals Kuyper al te radicaal en streng en afsnijdend wilde optreden in Schotland): „Overal waar de belijdenis van

*) Hoedemaker kwam pas langzamerhand tot deze oplossing, zie Gedenkboek, blz. 59 w.

Sluiten