Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het lichaam regeert en leidt, die het lichaam bevelen doet toekomen, en die toch weer van dat lichaam zóó afhankelijk is, dat ze niets van de buitenwereld weet, als de zinnen' het haar niet melden, en die zich niet zou kunnen openbaren, wanneer niet de hersenen en de spieren haar als werktuigen ter beschikking stonden.

Ziet gij daar dien armen krankzinnige? Hoe droevig, hem zoo te zien in zijn doen, dat voor ons onbegrijpelijk is. En toch is wellicht de geest in het geheel niet krank, maar het werktuig is ziek, de hersenen, zoodat de geest geen gereedschap heeft, om zich normaal te openbaren. Gij kunt immers ook geen kunstwerk tot stand brengen met stomp en ongeschikt gereedschap! Zoo is dus de ziel gebiedster en vorstin in haar paleis, de hersenen, en toch is zij een gevangene, mag levenslang haar woning niet verlaten, staat dikwijls peinzend voor het venster, met verlangen uitziende naar de velden der eeuwigheid. Eenmaal zal voor haar de ure der vrijheid slaan, wanneer het hart zijn laatsten slag heeft gedaan, wanneer het rustelooze bloed trager en trager door de aderen vloeit en dan voor altijd blijft stilstaan. Dan zal de ziel haar vervallen paleis verlaten en opstijgen naar Hem, die haar geschapen heeft, naar die plaats, die haar ware tehuis is, haar vaderland. En toch zal het ook zoo niet altijd blijven. Zij zal haar lichaam, waarin ze heeft gewoond, niet kunnen vergeten; steeds meer zal ze worden aangegrepen door sterk verlangen, en eenmaal, op den grooten dag der opstanding, zal God haar een nieuw lichaam geven, gelijkvormig aan het vorige, en toch zoo anders: onvergankelijk, onverderfelijk, heerlijk! En dan zullen ze samen blijven in zalige harmonie, lichaam en ziel, en zij zullen hun machtigen Schepper loven!

Doch de herinnering aan den tijd der aarde zal blijven. God zal in Zijn genade daaraan alle bitterheid ontnemen, maar de herinnering uitblusschen, dat doet

Sluiten