Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bladeren, ontkiemend zaad, spelende kinderen, ze snellen door de lift naar boven, naar de zaal van het bewustzijn, en in minder dan een vierde deel van een seconde groepeeren ze zich tot een vroolijk, een lachend lentetafereel. Eén oogenblik, en het beeld wordt weer afgebroken; zonneschijn, jonge bladeren en sneeuwklokjes verdwijnen weer in hun kastjes, en daar wandelt reeds met langzame schreden de maaier Dood over het tafereel, doch ook hij gaat reeds weer, en daar komen de kanonnen aanrollen, dikbuikige mortieren worden opgesteld, uit duizend vuurmonden hagelt lood en ijzer neer op tienduizend jonge soldaten. Weer een kwart seconde en het krijgsrumoer is weggeblazen, het geschut rust weer in het tuighuis van het geheugen, waaruit het te voorschijn was gekomen, en nieuwe beelden gaan over het tooneel, want de spreker is begonnen aan zijn volgenden volzin.

Zoo komen en gaan ze met bliksemsnelheid, de levende beelden, alle veelvoudig samengesteld, elkaar jagend als scherpe illustraties van de gedachten, die elkaar opvolgen in de ziel.

Maar zal een in ruwe omtrekken aanwezige gedachte een duidelijke gestalte aannemen en medegedeeld kunnen worden aan de toehoorders, dan moet ze gesproken worden in den vorm van de taal. Daarom is het ook tegelijk met het verschijnen van de genoemde beelden druk geworden in dat deel van de hersenen, waarin de taal zich bevindt. De volzin, waarover wij het hebben, bestaat uit meer dan dertig begrippen, en bij elk begrip behoort een woord, dat wel niet op dezelfde plaats als het begrip is opgeborgen, maar er met een draad mee verbonden is. Al die begrippen worden nu wakker, snellen even hard als de beelden naar het bewustzijn, en trekken elk aan zijn draad het woord mee, en dan plaatsen ze zich in de rij. Maar de woorden mogen niet willekeurig naast elkander staan; ze moeten

Sluiten