Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gehoorzamen aan zeer bepaalde wetten van plaatsing en vervoeging en verbuiging, en dus moeten ook die vakjes opengaan, waarin de op school en thuis geleerde spraak- en taalregels worden bewaard. Hoe oud ze ook zijn, ze zijn nog flink en ze staan reeds in de zaal van het bewustzijn te wachten, op het oogenblik, dat de eerste woorden binnenkomen. Als deftige heeren met hoogen hoed en kokarde ontvangen ze de aankomelingen en ze gaan hetzelfde werk doen als de commissarissen van orde bij een kinderfeest. Met een vluggen wenk wijzen ze elk woord zijn plaats aan, gaan vlug het front langs, maken hier en daar nog iets terecht aan het kleed, en schikken zoo de ronddwarrelende woorden en woordjes in een goedgeregeld gelid, den taalkundig juisten volzin. Ook komt er nog een afgevaardigde uit de belangrijke lade „takt en behoorlijkheid," om streng de aangetreden rij te monsteren, en nu en dan een niet onberispelijke uitdrukking de deur te wijzen — misschien op het laatste oogenblik, als de spreker het woord reeds op de tong heeft.

Maar reeds is een ander toestel zijn werk begonnen, een toestel, dat met ongeloofelijke nauwkeurigheid werkt, het spreekorgaan. Dat wacht niet, tot de volzin, nauwkeurig in woorden gevat, kant en klaar is; nauwelijks zijn drie of vier woorden gereed, of ze worden reeds overgebracht naar de spraakwerktuigen. Ademspieren, stembanden, gehemelte, tong en lippen staan gereed, en het volgende oogenblik krijgen - ze bericht op bericht. Om een enkele letter, een enkelen klank uit te spreken, moeten verschillende spieren worden gebruikt en daarbij moeten ze nauwkeurig samenwerken, wat alleen geschieden kan, wanneer ieder op den juisten tijd langs de zenuwen het telegrafische bericht er voor ontvangt. Wanneer we aannemen, dat gemiddeld voor elk geluid vijf berichten noodig zijn, dan zijn er voor den boven aangehaalden volzin

Sluiten