Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

willen smelten, om een zeker schemerlicht te maken; doch wacht u voor zulk een listig overleg, en zeg als David: „Ik haat de kwade ranken, maar ik heb uwe wet lief." (vs. 113.)

Pas dit alles nu toe, niet alleen op de zaak van uw behoudenis en uw persoonleken toestand, maar tevens op het onderwerp, waarbH ik eenige oogenblikken wensch stil te staan, namehjk:

Uw gemeenschap met andere Christenen

of, anders gezegd, uw kerkelijk standpunt.

Ik geloof, dat een der eerste begeerten van een vernieuwd gemoed uitgaat naar de gemeenschap met het volk van God. Men is in de wereld niet meer op zhn gemak; men zoekt vanzelf „de zhnen" op. (Zie Hand. IV : 23 „de hunnen.") Maar te midden van alle kerkgenootschappen en partyen der Christenheid mag een wedergeboren ziel wel vragen: „Naar welken kant moet I ik my wenden om in de waarheid te zyn?" MHn antwoord is: „Naar den kant van God, en van het Woord Zhner * genade." (Hand. XX : 32.) Aan welken kant de dwaling moge zhn, „God en ZHn Woord" zhn altyd in de waarheid. Dit zy diep in uw ziel geprent, en verontrust u dan niet over den mensch, „wiens adem in zyn neusgaten is."

Eenige jaren geleden reisden twee Christenen, te voren aan elkander vreemd, te zamen in een spoorwagen. Na eenigen tyd met elkander gesproken te hebben over den Heer en Zyn belangen, zeide de een, zich tot zyn reisgezel keerende: „Mag ik u vragen, tot welk kerkgenootschap gy behoort?" „Deze vraag", hernam de andere, „wordt menigwerf gedaan, maar, 'alvorens te antwoorden,

Sluiten