Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XI : 23.) „Zoo dikwijls gij dit brood eet, en den drink* beker drinkt, verkondigt gh' den dood des Heeren, totdat Hij komt." (vs. 26.) En wij lezen in Hand. XX : 7, dat de discipelen, ingevolge het verlangen van hun Heer en Meester, „op den eersten dag der week te zamen kwamen om het brood te breken."

En toch denken thans sommigen, flat het voldoende is dit te doen den eersten zondag van elke maand; anderen om de drie maanden; en velen laten nog grooter tijdruimte verloopen, zonder Hem dit verlangen Zijner ziel te gunnen. Wie onzer aarzelt om den naam van schandelijke ondankbaarheid toe te passen op het gedrag van Farao's schenker? Jozef had zh'n treurigheid in blh'dschap doen overgaan, en toch lezen wh: „Doch de Overste der schenkers gedacht aan Jozef niet, maar vergat hem." En dat na de aandoenlijke woorden van Jozef: „Gedenk aan mij bh uzelven, wanneer het u welgaan zal." Jozef maakte zijn lotgenoot slechts verheugd gedurende drie dagen, en dat kostte hem maar weinige woorden; terwijl de heilige Zoon van God ons eeuwige zegeningen verwierf en eindelooze vreugde, tot een prijs, door Hem alleen te waardeereh, Die de diepten kan peilen van hjden en dood, ondergaan op Golgotha.

Wat zullen wh' dan zeggen van hem (wien dit geluk werkelijk is te beurt gevallen) die, zonder dat hij eenige verdienste bezit, en zonder dat het hem iets kost, uit de hand van Jezus die oneindige zegeningen ontvangt, door Zijn bloed gekocht, en uit Zh'n mond de woorden des eeuwigen levens verneemt, en die toch, niettegenstaande dit alles, Hem kan hooren zeggen: „Doet dit tot mijne gedachtenis," zonder dat zijn hart blijk van weerklank aan die oproeping geeft? Wat denken de engelen (1 Kor. XI: 10.) over dergelijke ondankbaarheid? Doch vragen wij onszelven liever: „Wat moet Jezus er van denken?"

Sluiten