Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weinig tijd geleden vertelde men ons, dat eenige Christenen op een dorp soms meer dan een jaar lang buiten het genot van het voorrecht bleven, om het Avondmaal te vieren. En waarom? Eenvoudig omdat zeker predikant niet kon komen om hun het Avondmaal „te bedienen." Welk een verkeerde opvatting is dit, daar toch de Schrift zelfs niet de minste toespeling maakt op het feit, dat een mensch (zelfs een apostel) daartoe bijzonder moet aangesteld zhn. „De discipelen kwamen bijeen om het brood te breken."

Het is goed hier te zeggen, dat, volgens Gods Woord, al de ware geloovigen priesters zh'n, (Openb. I : 6; 1 Petr. II : 5, 9.) en als zoodanig het recht hebben met vrijmoedigheid in te gaan in het heiligdom, met gelukkige harten, vol aanbidding, den Vader en den Zoon hun lofzangen brengende.

Hoe treurig is het, den mensch te zien tusschenbeide komen, om aldus de eenvoudige orde Gods terzijde te stellen, den Heere Zh'n heerlijkheid ontroovende, en aan de zijnen hun zegeningen; en de hoogste, de hemelsche voorrechten van het Christendom neerhalende tot het aardsche peil van het Jodendom. Onze God verlosse de zijnen van een toestand, zoozeer in strijd met ZHn gedachten!

Doch — om tot ons onderwerp terug te keeren — vergeten wh" nooit, dat men het Avondmaal des Heeren behoort te gebruiken, in een geest van zelfoordeel. (Zie 1 Kor. XI : 28—31.) Onszelven geoordeeld hebbende, zonder iets te ontzien, dat Zijner onwaardig is, zijn wh" met dankbare en rustige harten vergaderd om te denken aan alles, wat Zijner waardig is, die voor ons in den dood is gegaan. Wat zou dit heerlijke voorrecht onze ziel geheel innemen, indien onze praktische toestand niet dikwyis een beletsel was voor den Heiligen Geest, om ons het ware genot van dit hemelsche feestmaal te doen smaken!

Sluiten