Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze slechts aan enkelen zijn toevertrouwd. En als we nu weer zien op Ef. 5, waarin allen bevolen wordt vervuld te zijn met den Heiligen Geest — dan zou God Zichzelf tegenspreken, wanneer iedere Christen b.v de gave der talen zou moeten bezitten. —

God heeft mij bevolen vervuld te zijn met den Heiligen Geest, maar Hij gaf mij niet de gave der talen. En wanneer ik beslist die talen zou moeten spreken, dan zou Hij het anders gezegd hebben in Zijn Woord. Dan zouden allen de gave der talen moeten hebben, en dan zou deze gave (als zij een bewijs moest zijn van de vervulling met den Heiligen Geest) in dit hoofdstuk, waarin de gaven worden opgesomd, een Aoo/donderwerp uitmaken, en niet achteraan komen, zooals nu het geval is. De Heilige Geest zegt hier echter dat er nog gaven zijn, die van meer belang zijn en zegt dat men deze gaven alleen onder bepaalde omstandigheden kan hebben, en verklaart tevens, waarom de gave der talen op het Pinksterfeest werd gegeven.

De gave der talen is op het Pinksterfeest een bewijs voor de vervulling met den Heiligen Geest; en in Hand. 10 is zij voor de ongeloovige Joden een bewijs dat de Heilige Geest óók op de Heidenen uitgestort was. Petrus zegt opzettelijk, dat dit hetzelfde is, als wat op den Pinksterdag plaats had, „welke den Heiligen Geest ontvangen hebben, gelijk als ook wij" ( :47). En het resultaat van deze gave op den Pinksterdag was, dat „zij geloofden".

Welke is nu de openbaring van den Geest, en welke woorden moeten wij gebruiken om er met anderen over te spreken?

Christus noemde het „een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven" en „stroomen van levend water die uit ons binnenste zouden vloeien" (Joh. 4:14; 7:38).

Het Boek der Handelingen noemt het „vervuld zijn met den Heiligen Geest" ; en ik zie geen kans om deze uitdrukkingen te verbeteren.

Zegt „overvloedig leven" u niets?

Sluiten