Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze heel bepaalde belofte is dus aan de discipelen gegeven en hen werd gezegd, dat zij zouden wachten tot zij de beloften ontvangen zouden hebben.

Zij wachtten in het gebed op den Pinksterdag en toen geschiedde ook dit wondere gebeuren. De discipelen hadden te wachten tot God hen de volheid des Geestes schonk.

De Heilige Geest is dus gegeven ; nu wacht God op ons om den Heiligen Geest in alle volheid te ontvangen. Wij hebben niet op Hèm te wachten — de Heere wacht op ons.

Laat mij nu eerst trachten u een paar dingen duidelijk te maken en er u aan herinneren, dat ook nu ieder kind Gods den Heiligen Geest bezit. In den Romeinen-brief lezen we :

„Doch gijlieden zijt niet in het vleesch, maar in den Geest, zoo anders de Geest Gods in u woont. Maar zoo iemand den Geest van Christus nietheeft, die komt Hem niet toe" (Rom. 8:9).

Dit kan niet anders beteekenen, dan dat ieder kind van God den Heiligen Geest heeft.

„Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en de Geest Gods in ulieden woont ?" (1 Kor. 3:16).

„Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, Die in u is, Dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt ?" (1 Kor. 6 :19).

Nog eens: het is heel duidelijk dat de Heilige Geest in u woont. De apostel zegt dit en de Heilige Geest spreekt door den apostel tot ons. Het zijn de woorden van God Zelf.

Vergeten we daarbij niet dat de Christenen in Korinthe vleeschelijk gezinde Christenen waren — en toch zegt de apostel Paulus dat de Geest Gods in hen woonde ; wij mogen dus op grond van Gods Woord zeggen, dat ieder kind van God den Heiligen Geest heeft.

Sluiten