Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik het nimmer zoo ver durven of willen laten komen, maar had ik al lang rond en ridderlijk herroepen. Niet alsof ik daarmede dan ook overtuigd zou zijn dat Christus geen Koning Israels en geen Hoofd der Kerk zou zijn. Dat zij verre! Maar dan zou ik herroepen hebben, omdat ik zonder den geordenden weg te bewandelen iets tegen de Belijdenis had geschreven, hetwelk tegen mijne plechtige gelofte en onderteekening indruischte. Ik zou dan dus herroepen hebben als een tijdelijke maatregel van orde, om daarna mijne bezwaren tegen de Belijdenis in te dienen.

Ik wensch thans evenwel aan te toonen, dat er geene wezenlijke tegenspraak inzake het Koningschap van Christus tusschen "Maranatha" en de Belijdenis bestaat. Door wezenlijke tegenspraak versta ik, dat er niet bloot in den klank der woorden, maar in de gedachte, door de woorden uitgedrukt, eene botsing is.

Laat ons eerst de gewraakte stelling uit Maranatha hier neerschrijven. Deze luidt op pag. 264 van de eerste uitgave aldus:

"Christus is de Koning, maar van Israël, niet van de Gemeente. Met deze staat Hij in veel nauwere betrekking." Iets verder: "'Christus is de Koning van Israël en het Hoofd der Kerk. Hij zal aan Israël het Koninkrijk oprichten."

Plaatsen we hier nu terstond naast den twaalfden Zondag van onzen Catechismus. De woorden, waarop het aankomt, zijn onderstreept.

31. Vr. Waarom is hij Christus, dat is, een Gezalfde, genoemd ?

Antw. Omdat hij van God, den Vader, verordend, en met den Heiligen Geest is gezalfd, tot onzen hoogs'ten Profeet en Leeraar, die ons den verborgen' raad en wil van God aangaande onze verlossing volkomenlijk geopenbaard heeft, en tot onzen eenigen Hoogepriester, die ons met de eenige offerande zijns ligchaams verlost heeft, en ons met zijne voorbidding steeds voortreedt bij den Vader; en tot onzen eeuwigen Koning, die ons met zijn woord en Geest regeert, en ons bij de verworvene verlossing beschut en behoedt.

32. Vr. Maar waarom wordt gij een Christen genoemd? Antw. Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus

en alzoo aan zijne zalving deelachtig ben; op dat ik zijnen naam bekenne, en mij zeiven tot een levend dankoffer hem offere, en met een vrij en goed geweten, in dit leven, tegen de zonde en den duivel strijde, en hier namaals in eeuwigheid met hem over alle schepselen regeere.

Daar dit de breedste en voornaamste plaats onzer Belijdenis is, die over het koningschap van Christus spreekt, kunnen we veilig

Sluiten