Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn, dan is er wezenlijke tegenspraak, omdat ik in Maranatha van een ander Koningschap spreek als de Belijdenis. Maar in, dat geval staan alle Gereformeerde theologen schuldig, want zij spreken thans zonder uitzondering van meer dan een Koningschap of regeerbeleid van Christus. Met het oog op Christus' heerschappij over Zijn volk spreken ze steeds van het regnum gratiae, d.i. het Rijk der genade en ten opzichte van Zijne heerschappij over alle schepselen ten behoeve van Zijn volk gewagen ze van het regnum potentiae, d.i. het Rijk Zijner macht. Voorts onderscheidt men nog tusschen het wezenlijk en het gegevene, het tegenwoordige en het toekomende Koningschap Zijner heerlijkheid| Zoo dient men dan alvorens men spreekt van tegenspraak eerst te bewijzen, dat het Koningschap, waarvan de Belijdenis spreekt, het eenigste is waarvan men spreken mag. Met andere woorden, dat de Belijdenis dienaangaande eene adequate (volkomene) uitdrukking is van de leer der Schrift. Bezien we echter de zaken nog iets nader zooals ze werkelijk zijn.

Het is dan allereerst van het grootste belang wel in te zien dat Maranatha en de Belijdenis elk een eigen weg bewandelen zonder elkander te. raken. En raken zij elkander niet dan kan er geen botsing zijn. Ik spreek in Maranatha over het re-eeltheocratisch Koningschap van Christus in Eschatologischen zin en de Belijdenis over het geestelijk-overdrachtelijk Koningschap, zooals Hij, n.1. "door Zijn'Woord en Geest Zijn volk regeert en bij de verworvene verlossing beschut en behoudt." Zie Zondag 12. Dit tweeerlei Koningschap van Christus sluit elkander wederkeerig niet uit. Wil men ze nu toch tegen elkander uitspelen, dan dient men eerst te bewijzen dat het Koningschap in den zin der Belijdenis de eenigste is waarvan de Schrift melding maakt en dat er dus niet zulk een Koningschap kan zijn als waarvan Maranatha spreekt Elk schrijver verstaat zijn eigen woorden het best en ik kan in gemoede verklaren, dat er nooit een haar op mijn hoofd aan gedacht heeft om het Geestelijk-overdrachtelijk Koningschap in den zin der Belijdenis te loochenen. Werpt men hier tegen, dat men met mijne bedoeling niets te doen heeft, dan wensch ik hierop nog eens te antwoorden, dat dit uiterst vreemd is, omdat men bij de verklaring van welk geschrift ook altoos met den zin en de meening des schrijvers rekent. Men heeft daar ik van het geestelijk Koningschap van Christus over de kerk zwijg, de onlogische gevolgtrekking gemaakt, dat ik dit loochen. Dit nu is zeer oppervlakkig en onbillijk en houdt volstrekt geen rekening met het doel van mijn schrijven.

Men houde ten andere ook dit voor het oog: De Belijdenis

Sluiten