Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gende: 'Kortelijk zoo men zich aanstelt naar het zuivere w oord Gods, verwerpende alle dingen, die daartegen zijn, houdende Jezus Christus voor het eenige Hoofd. Hieraan kan men zekerlijk de ware Kerk kennen." Een ieder kan hier voor zichzelf oordeelen wie het kenteeken der ware Kerk heeft en wie niet. Dit Hoofdschap nu sluit ten volle het geestelijk koningschap van Christus in, zooals de Belijdenis daarvan spreekt. Het is me door de procedure tegen mij en uit de vele brieven en vragen steeds duidelijker geworden, dat men deze gewichtige zaken over het algemeen nog zeer weinig verstaat. En dit komt eenvoudig daar vandaan dat men Israël uitschakelt uit zijne beschouwingen. Wie naar het Woord gaat en zonder vooroordeel geheel het plan Gods in zich wenscht op te nemen, zal ook rekening houden met Israël.

Wat de Belijdenis nog niet doet, heb ik in Maranatha wel gedaan : gerekend met Israël. En als ik nu zeide dat Christus niet onze Koning was, dan beteekende dit naar het verband: Onze Koning niet in den zin van theocratisch Koning over Israël.

Om te doen zien, dat niet alleen onze Gereformeerde Belijdenis, maar ook de Westminstersche Confessie van de Episcopalen en Presbyterianen het Koningschap van Christus nemen in den algemeen-geestelijk-overdrachtelijken zin. zooals elk Christen, hij zij dan Calvinist, Methodist of Premillennialist, het ten volle beaamt, laten we hier volgen de voorstelling der Westminstersche Confessie over het Koningschap van Christus:

"45. Vr. Hoe volvoert Christus het ambt van een' Koning?

Antw. Christus volvoert het ambt van een' Koning, dewijl Hij zich zeiven een volk uit de wereld roept, Hand. 15:14—17; Jes. 55:4, 5; Gen. 49:10; Ps. 110:3, en aan hetzelve geeft leeraars, Ef. 4:11, 12; I Cor. 12:28, wetten, Jes. 32:22, en regeerders, door welke Hij hetzelve zichtbaarlijk regeert, Matt. 18:18—20; I Cor. 5:4, 5; mitsdien Hij aan Zijne uitverkorenen de zaligmakende genade schenkt. Hand. 5:31, vergeldende hunne gehoorzaamheid, Openb. 22:12; 2:10, en bestraffende hen over hunne zonden, Openb. 2:19; bewarende en versterkende hen in alle hunne verzoekingen en zwarigheden. Jes. 63:9; bedwingende en overwinnende al hunne vijanden, I Cor. 15:25; Ps. 110, en alle dingen krachtig besturende tot Zijne eigene eer, Rom. 14:10. 11. en hunnen beste, Rom. 8:28; en ook omdat Hij wrake doet over de overigen, die God niet kennen, en het Evangelie niet gehoorzaam zijn, 2 Thess. 1:8, 9; Ps. 2:9."

Dit was desbetreffende de eenige beschouwing dier dagen en men liet Israël stelselmatig buiten het geding. Men geloofde in

Sluiten