Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beroept, 19 hun tegelijker tijd ook een leiding door het woord.

Wie de stem des Heeren hoort, kan onder Zijne schapen worden gerangschikt."

Tegen de dwaling wist hij geen ander redmiddel dan het Woord van God. In een zijner preeken zegt hij: "In plaats van de zon, het Woord van God, volgt men de dwaallichten der menschelijke overleggingen. O, mijne kinderen! Klemt u toch vast aan de Heilige Schrift, door God ingegeven." Elders schrijft hij: "Laat ons het Woord vasthouden. Het is ons eenig richtsnoer, de school des H. Geestes. Niets ontbreekt daarin van hetgeen wij ter zaligheid noodig hebben en niets wordt daarin geleerd dat ons niet nuttig en noodzakelijk is. Daarom mogen wij geen tittel of jota daarvan verzwijgen, en sluiten onzen mond zoodra wij den mond Gods hooren spreken, welke zwarigheden daarbij ook voor ons mogen opdoen."—"Ziehier het beginsel," zegt hij, "waardoor onze godsdienst zich van alle anderen onderscheidt t. w. dat God tot ons heeft gesproken, en dat wij verzekerd zijn dat de profeten, organen des H. Geestes, alleen hebben verkondigd wat zij van boven hadden ontvangen. Wanneer wij de H. Schrift lézen, is het ons alsof wij God Zelf tot ons hooren spreken."

Met deze, gedachte ga men nu dan eens naar de Schrift, iets wat mijn tegenstanders nog hoegenoemd niet gedaan hebben. Inzake het Koningschap vinden we daar dat de Wijzen, Matth. 2:2; Nathanael, Joh. 1:50; de schare, 12:12; Christus zelf, Matth. 27:11; en de H. Geest, vs. 37. geloofden, dat Christus de Koning der Joden was. Zie ook Openb. 22:16 en vele plaatsen in het O. T. Inzake het Hoofdschap van Christus zien we, dat Hij in betrekking tot de Gemeente steeds Hoofd geheeten wordt. Zie Ef. 1:22; 4:12, 15; 15:3; Col. 1:8 en 2:10. Werpt men nu tegen dat deze verschillende uitdrukkingen identisch zijn, dan moet men vooraf twee onbewezen stellingen voor waar aannemen, n.1.:

a. Israël—lichaam van Christus, en

b. Koning—Hoofd.

Dit zou kunnen, indien deze termen promiscue (door elkander) voorkwamen, doch dit geschiedt nimmer. Niet eenmaal lezen we

a. dat Israël het lichaam van Christus is of vice versa;

b. dat Christus het Hoofd van Israël heet, noch dat Hij

c. de Koning der Kerk heet.

Bijgevolg mag de conclusie niet anders zijn dan dat deze zaken niet identisch, maar ongelijksoortig zijn.

Deze Schriftuurlijke, en dus onomstootelijke, feiten nu kennende, mocht ik dan niet schrijven: "Christus is de Koning van Israël en het Hoofd der Kerk."? Had ik anders kunnen en mogen

Sluiten