Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schap van Ohristus inzonderheid met Israël verbonden wordt.

1. De eerste zoogenaamde bewijsplaats vinden we dan in Joh. 18:37, alwaar Pilatus aan Jezus vraagt: "Zijt Gij dan een Koning?' Hierop antwoordt Christus niet, dat Hij eens Koning worden zal, maar het is en hiertoe geboren is. Ik stem hier grif toe dat deze plaats afdoend bewijs is voor Christus' Koningschap. Maar nu rijst de vraag: Waarover. Hebben we hier een bewijs van Christus' Koningschap over Zijne Gemeente? In de verste verte niet. We hebben hier integendeel een zeer sterk bewijs dat Christus Koning der Joden is. Het is eisch van goede exegese, dat men een plaats neemt in haar verband en algemeenen samenhang. Als men hier naar dien algemeen erkenden regel te werk gaat, dan zien we uit vers 33, dat Pilatus hier vraagt: "Zijt. Gij de Koning der Joden?" Hij dacht hier niet aan het Koningschap over het Romeinsche wereldrijk en nog veel minder aan het Koningschap over het lichaam van Christus, maar, zooals uit zijn vraag zelve alsmede uit de omstandigheden klaarlijk blijkt, aan het Koningschap van Jezus over de Joden. Zelfs deze vraag is blijkbaar niet ernstig door den trotschen Romein gemeend, doch dit kunnen we hier laten rusten, omdat niet van Pilatus' vraag, maar van Jezus' antwoord hier alles afhangt. Bij al de Evangelisten vinden we de vraag van Pilatus: "Zijt Gij de Koning der Joden?" en eveneens vinden we telkens hetzelfde antwoord van Christus: "Gij zegt het", bij Johannes uitgebreid tot de meer volledige uitdrukking "Gij zegt dat ik een Koning ben." "Gij zegt het" wil in onze taal zeggen: Juist. Als Pilatus dus vraagt: "Zijt Gij de Koning der Joden?" dan antwoordt Christus hierop: "Juist". Het is net als de stadhouder het zegt in zijne vraag. Uit het antwoord bij Johannes breidt Christus Zijn Koningschap uit over heel het geestelijk Rijk der waarheid. Daar dit door niemand van de verpersoonlijkte waarheid wordt betwijfeld, kunnen we ook dit laten rusten. Genoeg zij op dezen tekst gezegd, dat we hier een sterk bewijs hebben voor Christus' Koningschap, maar voor Zijn Koningschap over de Joden.

2. Matth. 1:21 wordt aangevoerd als een andere bewijs plaats voor Christus' Koningschap. Daar lezen we, dat Jezus zijn volk verlossen zou van hunne zonden. Op het woord volk komt het hier volgens Dr. Kujyper aan, want, "wie een eigen volk heeft is Koning." Dit is een zeer zwak bewijs, want vooreerst kunnen we er tegen aanvoeren, dat ook een gouverneur of onderkoning als Jozef of Daniël een volk onder zich kunnen hebben. Men zou er ook mede kunnen bewijzen, dat Christus een keizer is, want ook Keizer Augustus had een volk onder zich en ook de Sultan van Marokko. Maar ten andere moeten we ook dit woord in zijn samenhang vatten en verklaren. Onze Statenvertalers ver-

Sluiten