Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ning om te richten." Een ieder Schriftkenner weet, dat dit de doorloopende voorstelling is. Jacob beloofde dit reeds aan Silo, wien de volkeren gehoorzaam zoude zijn. In Ps. 67.5 lezen wij:

"De natiën zullen zich verblijden en juichen, omdat gij de volken zult richten in rechtmatigheid." De welbekende profetie van Christus geboorte in Jes. 6 luidt: "Een kind is ons geboren,

een zoon is ons gegeven en men noemt zijn L der grootheid

dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid." Jeremia profeteert in 23:5, "Zie; de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruite zal verwekken; die zal Koning zijnde regeeren, en voorspoedig zijn en recht en gerechtigheid doen op aarde." Zie verder Spr. 29:14; 16:10; 14:35; 20:26; 22:39, en voornamelijk Psalm 72. Het is derhalve duidelijk, dat volgens de Schrift de souvereine koning, die feitelijk heerschappij voert, ook zakelijk Rechter is en als zoodanig beloont en straft. Onafscheidelijk zijn deze twee verbonden. Maar wanneer we nu ons ernstig afvragen of Christus thans reeds feitelijk het recht uitoefent over deze wereld, dan moet ons antwoord daarop ontkennend zijn. Geeft men hierop een bevestigend antwoord, dan dringt zich onvermijdelijk de bange vraag aan ons op of Hij dit wel goed doet, want de boozen gaan immers op rozen en de brutalen hebben de halve wereld. Zegt Paulus ook niet tot de Atheners op den Areopagus dat God een dag gesteld heeft, waarop Hij den aardbodem rechtvaardig zal richten doon een man, welken Hij daartoe besteld heeft? Daar de Schrift dus deze twee: de dag en de man onafscheidelijk verbindt, mogen wij ze niet scheiden. Neemt men dan aan dat Christus feitelijk heerschend vorst is, dan dient men ook te aanvaarden, dat Hij feitelijk het recht uitoefent op aarde. In dit laatste geval is evenwel het onrecht in deze bedeeling ten eenenmale onverklaarbaar.

2. Het tweede bewijs ontleen ik aan de onfeilbare spreuk van den wijzen koning Salomo. Hij zegt, Spr. 14:28 dat in de menigte der onderdanen eens konings heerlijkheid is. Maar hoe staan thans nog de zaken? Wie heeft de meeste onderdanen; Christus of Satan? De laatste zeker, want de weg is immers breed, die ten verderve voert en velen zijn er die er op wandelen en op den weg, die ten leven leidt, is maar 'n klein kuddeke; de vijanden van het kruis van Christus zijn zeer vele en al de heidenen verkeeren volgens de Schrift in de macht \des satans. Is Christus dus thans reeds regeerend Koning, dan heeft Hij maar heel weinig onderdanen en heeft niet Hij, maar Satan de heerlijkheid door de

I

Sluiten