Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn heerlijkheid en al de heilige Engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon Zijner heerlijkheid." Hij zit thans nog ter rechterhand des Vaders, maar dan zal Hij zitten op Zijn eigen troon der heerlijkheid. In Cap. 19:28 wordt ons precies hetzelfde geleerd, dat Christus namelijk eerst bij de wedergeboorte aller dingen zal zitten op den troon Zijner heerlijkheid. In Luk. 19:12 geeft Christus de gelijkenis van den welgeboren man, die in een vergelegen land reisde om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen en dan weder te keeren. Vers 15 zegt letterlijk, dat Hij wederkwam na het koninkrijk ontvangen te hebben. Dan wordt dus ook de oprichting Zijns rijks verbonden met Zijne wederkomst. Openb. 3:21 is zeer leerzaam, dewijl deze plaats de twee tronen, die Zijns Vaders en Zijn eigen, nadrukkelijk onderscheidt. Het vers luidt: "Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon." Hier wordt dus duidelijk onderscheid gemaakt tusschen het tegenwoordig zitten van Christus in 's Vaders troon en den tijd van uitkeering van het genadeloon, wanneer Hij zal zitten op Zijn eigen troon. I Tim. 6:15 lezen we: "Welke te Zijner tijd vertoonen zal de zalige en alleen machtige Heere, de Koning der koningen en Heer der heeren." Ook deze plaats wijst ons weder heen naar de toekomst des Heeren. Vers 14 is beslissend, want daar staat dat Timotheus onbevlekt en onberispelijk moet zijn tot op de verschijning van onzen Heere Jezus Christus. In Openbaring komt deze heerlijke naam van Christus nog drie malen voor en zonder uitzondering komt hij voor in verband met de toekomst des Heeren. Zie Openb. 1:5, 17:14 en 19:16 met het verband daar te plaatse. Eindelijk om maar niet meer plaatsen te noemen, wordt in Openb. 11:15 getoond dat de koninkrijken dezer wereld aan Christus komen niet eerder dan! na het slaan van de zevende bazuin en de komst van Christus uit den hemel met kracht en majesteit. Hier héb ik slechts enkele teksten genoemd, die het koninklijk bewind van Christus aan Zijne toekomst verbinden. Naar mijn bescheiden meening zijn er nog veel meer plaatsen, waar dit met minder of meerdere duidelijkheid geleerd wordt. Ik herinner er alleen nog aan dat op bijna al de plaatsen, waar van Christus' zitten ter rechterhand sprake is steeds het woordeke totdat gebezigd wordt om er aan te herinneren dat het zitten aan de rechterhand des Vaders straks in het heerschen op Zijn eigen troon zal overgaan. Men zie Ps. 110:1 (vergelijk Ps. 2:6, 9; I Cor. 15:25; Heb. 1:3, 13; 10:12, 13). De tegenwoordige toestand is een voorbijgaande. Nadrukkelijk wordt gezegd in Heb. 10:13 dat Hij is wachtende op den tijd, dat Hem Zijn vijanden

Sluiten