Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MIJN LEVENSLOOP.

Ik ben den 5den Februari 1855 als onwettig kind in Möttlingen geboren in het huisje van een lompenkoopman. Men heeft mij Friederle. genoemd en die naam bevalt mij goed. Men heeft mij zelfs ,,boschwachters-Friederle" genoemd. Ik was een veracht kind. Zelfs mijn moeder, Barbara Stanger heeft tegen mij gezegd, dat zij nooit iets van liefde voor mij heeft gevoeld. Dat kwam, omdat ze mij niet zelf kon opvoeden, want ze was een arme dienstbode. Eerst toen ik acht jaar oud was, trouwde ze en ging in Bad Liebenzell wonen.

Ik werd dus door mijn grootouders opgevoed, maar heel armelijk. Ik had niet eens een eigen bedje. Men legde mij dwars over het voeteinde van hun groote hemelledikant, zooals de menschen vroeger hadden. Daar kreeg ik menigen stomp van hen, zoodat ik er dikwijls wakker van werd en schreide. Als ik dan opkeek en zag, dat mijn grootouders sliepen en niets van mij vroegen, was ik Dlij. ging weer liggen en sliep weer in.

De menschen vertelden jne ook, dat er dikwijls gezegd werd, toen ik nog een klein kereltje was : ,,'t Zou een geluk zijn, als dat kind maar stierf !" omdat mijn grootouders zoo arm waren. Mijn grootvader heeft echter veel van mij gehouden. En als de Möttlingers zeiden : „Stuur dat Friederle van jou toch weg ! Wat doe je met hem ! Je hebt zelf niet veel", dan zei hij : „Zoolang ik nog aardappelen in den kelder heb, gaat mijn Friederle niet weg".

Mijn grootmoeder was een eerbare vrouw. Eens wou zij mij een nieuw broekje geven, omdat het

Sluiten