Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Helaas kon ik in dit goudsmidswerk niet blijven, omdat mijn long ziek werd. Mijn patroon wilde mij niet graag missen, hij bood mij zelfs aan, mij op 't bureau te nemen. Maar ik wou niet in Pforzheim blijven, omdat ik op den weg van daar naar Liebenzell eens iets angstwekkends had beleefd. En dien weg moest ik eiken Zaterdagavond te voet afleggen, omdat er toen nog geen trein liep. Dus ging ik naar Möttlingen en hielp er de boeren een tijdlang bij hun veldarbeid.

Op een mooien lentedag hakte ik op een akker boven op den berg bij den Weilderstadschen straatweg aan den boschkant.

Toen ik gereed was, sprak een stem tot mij : „Ga naar den overkant, van den weg en kijk eens naar dat korenveld".

Ik zei : „Wat moet ik daar doen ? Ik kan alles van hier uit overzien, en 't is alles hetzelfde. Ik ben toch geen boer ! Het is niet noodig, dat ik naar den overkant ga".

Toen werd ik van achteren als door een sterken wind aangegrepen en zoo vooruitgeschoven, dat ik bijna moest springen.

Dat was de Heer, die me zoo drong. Hij bracht mij vlak voor een steenhoop. Daarop waren bij het zaaien een paar korrels gevallen, die opgeschoten waren, omdat er wat aarde op lag. De halmen walen al meer dan 20 centimeter lang. Het zaad op den omliggenden akker was nog niet opgekomen. Ik heb mij daarover verheugd en hardop tegen mijzelf gezegd : „Dat is mooi ! dan kunnen de boeren tweemaal oogsten!" (Ik begreep het niet anders). Ik onderzocht den steenhoop, Pt lag wat aarde op, alles was in orde. Nu moest ik over den akker heenzien en werd bijna ongeduldig, omdat het zoo lang duurde, voordat het zaad daar boven den grond kwam.

Ik ging naar huis, maar telkens weer zag ik dien bezaaiden akker vóór mij.

Een paar weken later, op een zeer heeten Zondagmiddag werd ik innerlijk gedrongen weer naar

Sluiten