Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen in dronkenschap en kon niet meer loskomen.

Van dat oogenblik af zonk ik altijd dieper en moest bijna dagelijks naar de herberg, hoewel er innerlijk dikwijls iets daartegen in verzet kwam.

Met stalmeester Fritz kwam ik gedurende het zomerseizoen ook in Baden-Baden in de rijschool.

Hier hebben we eens paarden ingereden, terwijl stalmeester Fritz de teugels hield. Maar de paarden sloegen op hol; ik heb snel de rem aangedraaid en kon ze tot stilstaan brengen. Stalmeester Fritz zei: ,,Je hebt me vandaag het leven gered"."

De bierbrouwer Lindemeyer uit Stuttgart werd bij een sledevaart in een bocht omgeworpen en zijn paarden gingen er vandoor. Mijnheer Lindemeyer lag op den grond, had de teugels in de hand en werd zoo meegesleept. Met een sprong greep ik de paarden in den teugel en kon ze tegenhouden.

Als koetsier kwam ik ook in Donaueschingen bij den lijfarts van den daar regeerenden vorst (Hofraad Dr. R.), waar ik een paard te verzorgen had. Ik bleef er ongeveer drie en een half jaar. Later kwam ik in dienst bij een Inspecteur van het boschwezen te Waldenbuch in het Schönbuch bij Stuttgart. Daar moest ik te paard of met den wagen uit.

Ik had een moeilijk paard, dat altijd maar vooren achteruit liep ; ik kon het baas worden. Toen wij eens met ons beiden uitreden, riep een boer mijn heer toe : „Uw knecht zit anders te paard dan U !" Ik was slank en kon goed rijden ; de Inspecteur zei ook, dat ik goed bruikbaar was. Maar helaas bedronk ik mij dikwijls, wat den Inspecteur zeer speet, want hij moest mij om die reden mijn ontslag geven.

Bij dit alles had ik toch een groot verlangen om vrij te worden.

Dat kwam sterk tot uiting, toen we eens, door een gehucht rijdend voorbij een huis kwamen, waar juist een bijeenkomst werd gehouden en een lied uit het gezangboek werd gezongen.

Er was een schreeuw in mijn ziel ! Het liefst was ik er heengerend, had de deur opengerukt, mij op

Sluiten