Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

je toen omgekomen was, had je tot in alle eeuwigheid moeten rijden".

Dikwijls porde de duivel mij aan: „Neem een strik en hang je op !"

Al eerder werd ik gedrongen mij in de Nagold te verdrinken ; maar de Heer heeft mij teruggehouden. Ik zonk niet alleen steeds dieper in dronkenschap, maar daardoor ook in allerlei andere zonden.

Ik moest zondigen, want : „Die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde !"

In mijri groote ellende heb ik dikwijls geweend en in stilte gezucht: „Ach, als ik maar een eerlijk mensch ontmoette, die mij zou kunnen bijstaan en den weg wijzen !" Tot nu toe had ik er helaas nog geen een gevonden. In de herbergen en op de dansvloeren was ik onder enkel onware, verdwaalde en verblinde menschen. Onder hen was er geen, die mij kon helpen. Als ik maar dansmuziek hoorde, kriebelde het mij al in de voeten. Dikwijls was ik daar de eerste en de laatste. Ik zou die muziek wel dagen achtereen willen hooren. En werkelijk speelde het twee dagen lang door mijn hoofd : „Tittatra, Tittatra I" tot ik zei : „Nu heb ik er genoeg van !" Toen hield het op. — * 7." ,c

Ik moest altijd weer iets anders zoeken, toen ik zoo ellendig was. Zoo werd er in dien tijd in Stuttgart een panorama geopend. Een tijdlang ging ik er eiken Zondagmiddag heen om mijn innerlijk te bevredigen. Ik heb altijd gezocht en vond toch geen hulp.

Mijn vriend en ik gingen eens langs een zaal, waar Evangelische samenkomsten werden gehouden. Ik vroeg hem, wat dat zou zijn en hij gaf mij ten antwoord : „Daar praten ze net eender als wij in de herbergen".

„Goed", zei ik, „dan blijf ik waar ik ben ; daaraan ben ik nu eenmaal gewend !"

Van mijn jeugd af wist ik niet beter, of ik moest maar flink vreten en zuipen om sterk te worden.

Als ik weer in een zware zonde vervallen was, stond de leeraar, door wien ik eens wakker geschud

Sluiten