Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heugen en nog een paar uur goed slapen. Ik sliep in met een groote vreugde in mijn hart en werd precies zoo weer wakker. Nu was het Zondagmorgen.

Vroeger vloekte ik duchtig bij 't opstaan en koffiedrinken. Nu zei ik : „Kom, we willen eens beginnen met den Bijbel te lezen !"

Want ook mijn vrouw en mijn moeder hadden tot nu toe niets van Gods Woord willen weten.

Toen ik nu met groote blijdschap den Bijbel opsloeg om te lezen, vielen mij plotseling als schellen van de oogen. De letters waren niet meer dood, het Woord Gods werd «volkomen nieuw en levend.

Ik zei tegen mijn vrouw : „De schellen vallen mij van de oogen en ik zie toch niets. Zie jij ook niets ?"

„Neen, ik zie niets", zei ze, en stond op om naar de keuken te gaan. „Nu wordt het hoog tijd", zei ze tegen mijn moeder, „dat men hem naar 't krankzinnigengesticht brengt. Hoor maar, wat 'n onzin hij uitkraamt !"

Maar ik stond op en strekte van jubelende vreugde mijn beide armen omhoog en loofde en dankte den Heer.

Plotseling, had ik midden in dien jubel een gezicht. Een man uit Möttlingen, een drinker stond voor mij. Ik keek hem aan, toen verdween hij. Weer een andere drinker uit Möttlingen verscheen en de Heer zeide tot mij : „Deze menschen leven in Möttlingen precies zooals jij geleefd hebt".

Dit gezicht diende om mij het treurige leven, dat ik daar begonnen was, in herinnering te brengen, omdat ik van Möttlingen niets meer wou weten.

In deze jubelende blijdschap had ik wel alle menschen willen omarmen. Nooit zal ik meer vergeten, hoe ik daar stond en mij mocht verheugen, omdat ik vrede had gevonden en volkomen zeker wist, dat mijn zonden mij vergeven waren. Ik wist toen nog niet, dat de engelen in den hemel zich mee verblijdden, nog minder, dat ik bekeerd was. Dat heeft men mij eerst later gezegd.

Sluiten