Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan den anderen kant ook weer moed en zei : „Je zult tot een zegen zijn".

Zoo was ik eens bij bloedverwanten in Möttlingen op bezoek. Toen ik heenging, spraken wij op de trap nog lang met elkander. Wij konden bijna niet van de plaats wegkomen. Daar zag ik plotseling mijzelf in een gezicht, hoe ik aan het hoofd van een groote schare liep en met uitgestrekten arm voorwaarts wees. Zoo mocht ik dus de schare zien, die ik den Heer zou mogen toebrengen. De Heer wilde juist, dat ik voorgoed naar Möttlingen ging en door al deze wonderbare leidingen werd ik ook gewillig gemaakt.

Al zeven jaar geleden wou de Heer mij in Möttlingen hebben. Maar ik wilde niet. Vijf jaar later, dus twee jaar geleden wou ik gaan, maar toen zeide de Heer : „Je mag nog niet". Toen wou ik in 't geheel niet meer. Ook mijn vrouw en mijn moeder zeiden : „Wat wil je in Möttlingen doen ? Je wilt je er alleen maar eens vertoonen !" Maar mij liet bet dag noch nacht meer met rust, en de Heer bleef overwinnaar.

Wat ben ik blij, dat ik naar de stem van God leerde luisteren. Het ging mij als den Apostel Paulus : „Doe ik het met blijdschap, dan ontvang ik loon ; doe ik het niet met blijdschap, dan is het Apostelambt mij tóch opgelegd.

Maar eerst werd ik nog door twee buiten de stad wonende broeders in 't geloof geroepen om met hen samen op hun plaats te arbeiden.

Ik ging er heen en de Heer gaf veel zegen, vooral wat de zieken betreft.

Ik was daar echter nauwelijks een jaar. De Heer had mij duidelijk de boodschap gegeven : „Je plaats is in Möttlingen !"

Maar ik werd van alle kanten gewaarschuwd niet naar Möttlingen te gaan. In C. zei men : „Wat wil je in Möttlingen beginnen ? Daar is niets ! Er zijn betere plaatsen ; de gansche aarde is des Heeren".

Maar ik zei : „Ik möèt naar Möttlingen !" Mijn broeders uit de oud-piëtistische kringen, waar ik

Sluiten