Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rooskleurig was al evenmin hare positie gedurende die maanden van het onderzoek. Geheel Indie bemoeide zich met het vraagstuk en zooals Olcott getuigt (Oude Dagb. 3. 197)

„waren er tal van onze theosofen en onder hen sommige zeer invloedrijke, die aan Mevr. Blavatsky's onschuld waren gaan twijfelen, maar haar bij zich zeiven verontschuldigden, omdat ze in 't algemeen goed had gedaan en aan velen troost verschaft.* Uit een vertrouwelijk schrijven van die dagen uit Adyar aan Dr. Elliot Coues leeren we eenigszins den gemoedstoestand onzer Russin kennen. Coues was hoogleeraar te Washington, ornithologist van naam en lid van het Bestuur der T. V. in Amerika. Wegens heftige twisten met Judge verliet hij eenige jaren later de Vereeniging. Hij is een der zeer weinige geleerden van naam, die zich ooit bij de theosophie hebben aangesloten Mevr. Blavatsky dan schreef aan Coues:

„We staan hier midden tusschen valstrikken, maalkolken en verraders: daar hebben wij onversaagd en openlijk tegen te vechten met de wapenen der philosophie en niet met die der verschijnselen. Want dan zouden wij gauw weer op nieuw verliezen. Laat het weten, dat de verschijnselen hun gang gaan als vroeger, maar Iaat aan niemand weten wat er gebeurt, en voor het jouwende, twijfelende en profane publiek zal deze groote geheimhouding de beste straf zijn." Wat nu volgt over Olcott is vooral belangrijk. „Had Olcott ontmaskering en schandaal niet uitgelokt door zijne domme uitnoodiging aan het Genootschap voor Zielkundig Onderzoek, er zoude van dit alles niets gebeurd zijn, maar we zitten er nu mede en moeten maar zien, hoe wij er ons doorslaan." (') Men vergelijke nu met het bovenstaande, wat Olcott, de „psychologized baby" zoo onnoozel openhartig bekent in zijne O. D. 3. 102:

„Ik wist van niets dat verborgen had te blijven, dacht aan geen kwade trouw, waar dan ook, en was volkomen bereid om te doen wat ik kon, om de taak van degenen die de feiten wilden onderzoeken te vergemakkelijken."

(■) aangehaald bij Prof. Bolland. 1. c. bl. 47.

Sluiten