Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenvoudig genoeg als alleen de geestelijke wedergeboorte bedoeld werd, en niemand behoefde zich dan te verwonderen. En dan verder.

VIII. De wind blaast waarheen hij wil en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet vanwaar hij komt en waar hij heen gaat; alzoo is een iegelijk (ieder) die uit den Geest geboren is.

Mij dunkt 't kan niet duidelijker, althans voor dien tijd: Evenals de wind is de geest van elders, niet uit den geest van man en vrouw, anders zou 't niet moeilijk uit te maken zijn van waar of waaruit de geest gekomen is.

Nicodemus begreep uit Jezus* antwoord dat 't mogelijk is weer als geest den schoot eener moeder in te gaan, maar wist niet hoe.

IX. Nicodemus antwoordde en zeide tot hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden? (hoe is 't mogelijk).

X. Jezus antwoordde en zeide: Zijt gij een leeraar Israël en weet ge deze dingen niet?

Wat bedoelde Jezus met een leeraar Israëls. Nu schijnt weer van der Palm gelijk te hebben of beschouwde Christus Nicodemus als iemand, als een godsdienstleeraar, die als zoodanig van *t hiernamaals veel moest afweten. Wist hij, Nicodemus dan heelemaal niet, dat de profeten beschouwd worden als door God gezonden, en alzoo een hoogere geest weer in 't vleesch komt niet als boetedoening maar om de menschheid vooruit te helpen, voor welk doel hij, Jezus, ook gekomen was?

Lezen wij verder.

XI. Voorwaar, voorwaar zeg ik u, wij (hij en andere profeten) spreken wat wij weten en getuigen wat wij gezien hebben en gijlieden neemt onze getuigenis niet aan.

Wat weten wij, wat hebben wij gezien ? De wedergeboorte, t ingaan van den geest, ontbonden, in den schoot der moeder eenige maanden voor de geboorte, als 't lichaam al gevormd is ? Dat doopen kan toch niet bedoeld worden, dat kan iedereen zien. En dan verder.

XII. Indien ik ulieden de aardsche dingen gezegd heb en gij niet gelooft, hoe zult gij gelooven indien ik ulieden de hemelsche zoude zeggen.

Hier o. a. nog altijd de wedergeboorte bedoeld. Een he-

Sluiten