Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een „eiland" in de groote pyramide van Cheops omstroomt127. Misschien in verband hiermee achtte Belzoni het niét onmogelijk dat in de Oudheid de pyramiden bij hoogen stand van den Nijl omstroomd werden 128.

De mededeeling van Herodotus was in het begin van de 19e eeuw voor Vyse aanleiding den rotsgrond onder de pyramide van Cheops te onderzoeken middels het hakken van een 11 meter diepen put in de 1e grafkamer. Het resultaat was negatief. De meening van een ondergrondsche verbinding met den Nijl werd opgegeven. Dat Herodotus slachtoffer van lichtgeloovigheid is geweest behoeft niet te worden aangenomen. De dragoman die den goeden Herodotus heeft rondgeleid, heeft stellig zelf in deze verbinding met den Nijl geloofd. Hier geldt een verklaring van Kristensen 129. Het watergraf was, toen Herodotus in Egypte kwam (en lang daarvoor en daarna), het normale graf, daarom werd aan de oude graven ook dit verband met het water toegeschreven, in de overtuiging dat het bestond. Dat de verklaring van Kristensen het juiste treft, daaraan kan nauwelijks worden getwijfeld. Bekend is dat in den tijd van Diocletianus (300 na C.) twee Copten het lijk van een martelaar, na het geprepareerd te hebben, boven een waterbassin bewaarden 13°. Eeuwenlang is het watergraf in Egypte gebruikelijk geweest, zij het als realiteit of fictief.

De meening dat de pyramiden de graanschuren van Jozef waren, vooral door de kruisvaarders naar het Westen gekomen, schijnt tot de eerste eeuwen van het Christendom terug te gaan en in verband te moeten worden gebracht met de etymologie pyramide = puros = tarwe. De arabische geograaf Edrisi (12e eeuw) meldt dat de pyramiden voor koningsgraven werden gehouden, die voor dien tot korenschuren zijn gebruikt geworden 131. Als korenschuren van Jozef zijn de pyramiden afgebeeld in de S. Marcus van Venetië132.

[)e meening dat de pyramiden dienden tot astronomische observatie, schijnt op Plato terug te gaan 133. Of de pyramidentheoretici in Plato een aansporing tot hun dwaze speculaties hebben gevonden, is mij niet bekend. Zoo ja, dan is dit merkwaardig, omdat juist Plato de eenige Griek genoemd wordt die niet onder den indruk schijnt gekomen te zijn van de z.g. wijsheid der Egyptenaren, die reeds bijna spreekwoordelijk was geworden onder zijn landgenooten 134. De ontcijfering van inschriften en papyri heeft Plato in het gelijk gesteld.

Sluiten