Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE MENSCH.

De mensch, eene uitstraling van den Goddelijken Geest, een vonk van het goddelijke vuur, is één met zijn Vader. Zijn innerlijk wezen is deel van God, dat tot goddelijke volmaking zal opklimmen, gelijk een zoon opgroeit tot gelijkenis met zijnen vader. De ware aard van den mensch is dus geestelijk en dit geestelijk element is het eenig werkelijk en blijvend gedeelte van zijn wezen; het overige van zijn aard is aan verschillende veranderingen onderhevig en vergankelijk. Wij zijn dus als geest onsterfelijk.

Bij het nader beschouwen van den mensch moeten wij derhalve uitgaan van het standpunt, dat onze aard geestelijk is, dat deze geest, of het Ware Zelf, in verschillende gewaden gehuld is, waarvan elk gewaad tot een bepaald gebied van het Heelal behoort en Ons Zelf daardoor in verbinding kan komen met dat gebied, er kennis van krijgen en er in werken kan.

Zoodoende verkrijgen wij ondervinding en alle vermogens, die in ons sluimeren, worden dus langzamerhand in werkende krachten omgezet. Als wij hier over den mensch spreken, dan moeten wij hem beschouwen als de geest in ons, die ons doet handelen, spreken, in één woord, die zich door ons stoffelijk lichaam openbaart. Niet het lichaam is de mensen; dit is slechts het laagste der voertuigen, het gr of stoffelijke, waardoor de werkelijke, de ware mensch zich op het stoffelijke gebied uiten kan. Hieruit volgt

Sluiten