Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derde kon ik het niet meer uithouden. Ik kan nu gerust zeggen: als een stervende. Desniettemin kon ik tot verwondering van mijne vrouw gedurende een oponthoud van 3 kwartier te Zuffenhausen op het perron heen en weer loopen.

De zuster, die ons bij onze aankomst te Möttlingen ontving, zeide tot mijn vrouw: „hoe kon u met dezen man alleen reizen?"

lederen dag mocht ik toen bij Vader Stanger op het spreekuur komen en kon daarbij steeds van de eerste verdieping naar beneden gaan. Ook kon ik in 't begin nog aan de gemeenschappelijke maaltijden en de Andachten deelnemen.

Ondanks de dagelijksche voorbeden en zalvingen, volgens Jacobus 5 : 14 & 15, werd het gezwel steeds grooter en ik zwakker en zwakker, totdat de geheele rug er door was bedekt en ik bij 't loopen een krom gegroeide man-scheen.

Daar mijn vrouw wist dat mijn ziekte mij tot bij den dood zou brengen, had zij aan onze dochter, de ziekenverpleegster, geschreven en gevraagd of zij dadelijk naar Möttlingen mocht komen. Zij kon echter mijn ziekte niet met de juiste vaktermen beschrijven en daarom liet mijn dochter zich door onzen dokter een verklaring sturen, op grond waarvan haar superieuren haar een verlof van drie maanden gaven, met de opmerking er bij dat zij, als haar vader dan nog niet genezen was, gerust kon wegblijven tot zijn volledig herstel.

In werkelijkheid geloofde niemand van het Bestuur aan mijn genezing, nadat men van het schrijven van onzen dokter had kennisgenomen.

Zoo kwam dan onze dochter zes dagen na ons ook in Möttlingen. Bij haar aankomst was de crisis wel op het hoogst. Een door mij verkeerd begrepen uitlating van een der Broeders had mijn geloof zóó geschokt, dat ik (in afwezigheid mijner vrouw, die dien dag juist om dringende redenen naar Heilbronn was gegaan) met mijn dochter afsprak, om zoo spoedig mogelijk naar huis terug te keeren.

Toen ik echter den volgenden dag in de spreekkamer bij Vader Stanger kwam doorstroomde mij j — zonder dat wij een woord met elkander gewisseld hadden — zulk een geloofsmoed, dat al mijn twijfel werd weggevaagd. Een blik op Vader Stanger, die daar met zijn geloof als een rots van graniet op zijn stoel zat, zonder ook maar een spier te vertrekken, was voldoende om mijn geloof te doen terugkeeren. Toch zou de beproeving zwaar worden. Het gezwel wilde maar niet doorgaan, terwijl mijn zwakte steeds toenam, zoodat Vader Stanger op een morgen, mij aanziende, uitriep:

Sluiten