Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor dit getuigenis ben ik bizonder dankbaar; daardoor toch zijn mijn verklaringen betreffende mijne genezing ook door een mij voorheen onbekenden dokter als onaanvechtbaar bevestigd. Behalve deze beide medici kent nog een derde geneesheer het verloop van mijn ziekte en kan dit dus eveneens bevestigen; maar die is een vriend van Mötdingen.

En zoo geef ik dan dit getuigenis uit. Ieder lezer neme het op zooals het hem goeddunkt; voor mij echter is het een nadere bevestiging van de waarheid van den Bijbel en in 't bizonder van de teksten: Marcus 16: 17 en 18; 1 Cor. 12 : 7—21 en Jac. 5 : 14—16.

Ten overvloede moet ik er nog bijvoegen dat ik dezen weg niet gegaan ben uit vrijen wil, noch op aandringen van menschen, maar gedreven door den innerlijken en uiterlijken nood. Op de aanhoudende roepstem van mijn Heiland: „Roep Mij aan in den dag der benauwdheid, Ik zal er u uithelpen en gij zult Mij eeren," Ps. 50 : 15; en „Mijne schapen hooren Mijne stem en Ik ken ze en zij volgen Mij en Ik geef bun het eeuwige leven,' Joh. 10 : 27. Heden ben ik mijnen Heiland innig dankbaar dat Hij zoo krachtig heeft ingegrepen en niet heeft afgelaten vóór ik in Zijn armen lag.

Daar mij na een getuigenis in Stuttgart, twee jaar na mijn ziekte, door een dame gevraagd werd of ik nog dienst deed, wil ik hier nog bij zeggen, dat ik sinds mijn genezing niet slechts ten volle en zonder onderbreking mijn werk heb gedaan, maar dat ik ook in de samenkomsten iederen dag met meer vreugde en kracht mijn Heiland mag dienen, en als God het goed vindt nog heel lang Hem zal dienen, door zielen, die Hem zoeken en naar Hem verlangen, Hem toe te brengen, opdat zij uit de vangarmen van Satan mogen gered worden.

Tot mijn groote vreugde mag ik nog meedeelen, dat juist dezer dagen twee inspecteurs die mijn werk controleerden, de opmerking maakten, dat ik er zoo gezond uitzag en dat met name mijn oogen zoo krachtig stonden.

Sluiten