Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Paulus ter hand: Wat schreef hij u eerst (1 Korinthe 1 : 10, 11 en 12; hoofdst. 3 : 3 en 4.) in het begin van het Evangelie? Waarlijk in den Heiligen Geest heeft hij dien brief tot u gericht; omdat ook toen partijschap onder u was."

Justinus, de martelaar, schreef in het jaar 139 aan den keizer Antoninus Pius: „Op den dag, die „Zondag" ge^ noemd wordt, komen allen te zamen, die in de stad en die op het land wonen; dan worden de gedenkwaardigheden van de apostelen of de geschriften van de profeten zoo lang mogelijk voorgelezen. Daarna, als de voorlezer gedaan heeft wat zijn werk is, houdt de voorzitter een toespraak tot de vergaderden om hen tot navolging van deze edele voorbeelden te vermanen en aan te sporen."

Zoo zegt ook Justinus tegen Tryphoniss in een samenspraak, waar hij tot de Joden over zulke plaatsen in de Schrift spreekt, die de Godheid van onzen Verlosser bewijzen: „Geeft wel acht op de woorden, die ik u in herinnering mocht brengen en die ik uit de Heilige Schriften genomen heb; zij behoeven niet uitgelegd, maar slechts gehoord te worden." — Later spreekt hij van de dwaasheid van dezulken, „die meenen zelf iets beters dan de Schrift tot stand te kunnen brengen."

Athanasius, Patriarch van Alexandrië, geb. circa 290, zegt in zijn „Feestbrief": „Wij hebben tot onze zaligheid de Goddelijke Schriften; maar ik vrees, dat er eenige onder de eenvoudigen zijn, die, evenals Paulus aan de Korinthiërs schrijft, (2 Kor. 11 : 3.) door booze lieden afkeerig gemaakt zijn van de eenvoudigheid des harten en de heiligheid, zoodat zij apocryfe (d. w.z. niet-Bijbelsche) boeken lezen, in de war gebracht door de overeenkomst in titel met die der ware Schriften." Dan volgt

Sluiten