Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de 18de paragraaf zinspeelt hij op het Christelijk onderwijs, dat de kinderen der geloovigen genoten ; en in de 36ste betreurt hij de verwaarloozing der opvoeding van de heiderische kinderen, maar hij wederlegt de schandelijke aantijging van kindermoord niet door te verklaren dat de Christenen hunne kinderen door den doop aan God toewijdden en bij de gemeenten inlijfden, hetwelk hij onder de omstandigheden niet kon nagelaten hebben, indien de kinderdoop toen reeds bestaan had, te meer daar hij zijne bezorgdheid laat blijken om van zijn bericht niets uit te laten dat het vooroordeel tegen hen kon verminderen. Maar wat meer is, zijn bericht behelst eene besliste ontkenning van het bestaan van den kinderdoop in dien tijd. De doopelingen moeten overtuigd zijn van de waarheid der Christelijke leer, verbinden zich om naar hare voorschriften te leven, en zoeken met vasten en bidden de vergeving der zonden ; en dan maakt hij eene vergelijking of tegenstelling met hunne geboorte en hunne wedergeboorte (zooals hij den doop noemt): in de eerste geboorte zijn wij kinderen van onwetendheid en nooddwang — in den doop van keus en kennis; kan zoo iets van den doop van jonge kinderen gezegd worden ? zijn onbewuste zuigelingen bij den doop niet evenzeer als bij hunne geboorte kinderen der onwetendheid ? Ook de naam verlichting, die te dien tijd aan den doop gegeven werd, en de reden die hij hiervoor geeft: „omdat zij, deze dingen leerende, verlicht worden in het verstand," bewijzen dat toen nog geen kinderen gedoopt werden. Het geheele bericht bevat eene ingewikkelde ontkenning van den doop van kinderen, die veel sterker is dan eene bepaalde verklaring dienaangaande zijn kon. Want had Justinus met ronde woorden gezegd : „wij doopen geen kinderen," of, „kinderen moeten niet gedoopt worden," dan zou dit tevens doen vermoeden dat anderen in dien tijd dit deden of noodig oordeelden ; maar nu bewijzen zijne woorden, dat, toen hij dezelve schreef, nog niemand dacht aan het doopen van jonge kinderen. Wel vinden wij hier reeds de kiem van de dwaling, waaruit later de kinderdoop geboren werd n.1. de verwarring van den doop met de wedergeboorte ; maar het schijnt hier nog weinig meer dan eene verwarring van namen geweest te zijn; want hij zegt, „wij die door Christus vernieuwd zijn" worden op deze wijze wedergeboren. Maar de Satan, die zich verandert in een engel des lichts, wist door zijne dienaren aan deze dwaling den schijn van waarheid te geven uit des Heeren woorden (Joh. 3:5) en daaruit het dogma van de noodzakelijkheid des doops tot zaligheid te ontwikkelen, en daardoor het onkruid midden onder de tarwe te zaaien, en de Christelijke Kerk tot een groot Babel van verwarring te maken.

Ken kinderdooper kon onmogelijk zulk een bericht van den doop

Sluiten