Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze onderstelling..... Terstond na Irenaeus, in de laatste jaren der tweede eeuw, verschijnt Tertullianus als een ijverig tegenstander van den kinderdoop ; een bewijs, dat het gebruik toen nog niet beschouwd werd als eene Apostolische instelling, anderszins zou hn. het kwalijk gewaagd hebben er zoo nadrukkelijk tegen te spreken.. Tóén echter aan dè eene hand de leer van de schuld en het bederf, dat de menschelijke natuur aankleeft ten gevolge der eerste overtreding, in eenen juisten en stelselmatigen vorm gebracht was, en men aan de andere hand geen behoorlijk onderscheid maakte tusschen het uitwendige en inwendige, tusschen den doop en de wedergeboorte, werd men hoe langer hoe meer in de dwaling bevestigd, dat niemand van die aanklevende schuld verlost, of van de eeuwige straf bevrijd kon worden die hem dreigde, noch ook het eeuwige leven deelachtig kon worden zonder gedoopt te zijn; en toen het denkbeeld van een tooverachtigen invloed der Sacramenten immer meer ingang vond, ontwikkelde zich daaruit de theorie van de onvoorwaardelijke noodzakelijkheid van den kinderdoop. Omtrent het midden der 3de eeuw was dit in de Noord-Afrikaansche kerk reeds algemeen aangenomen Maar hoewel nu theoretisch de nood¬

zakelijkheid van den kinderdoop erkend werd, ontbrak er nog veel aan, dat het in de practijk een algemeen heerschend gebruik geworden was. (Church Hist. vol. 1 p. 311).

De Kerkelijke Geschiedschrijver Mosheim (ook zelf een kmderdooper) zegt van den doop in de eerste eeuw: „Een iegelijk die Christus als den Zaligmaker der menschheid erkende, en eene plechtige belijdenis van zijn geloof in Hem deed, werd terstond gedoopt en in de gemeente opgenomen. Daar toen de kerk begon te bloeien en aan leden toenam, achtte men het voorzichtig en noodzakelijk, de Christenen in twee klassen te verdeelen, die onderscheiden werden door de namen van geloovigen en catechumenen. De eersten waren dezulken, die door den doop plechtig in de gemeente opgenomen waren, en dientengevolge onderwezen werden in al de verborgenheden van den Christelijke Godsdienst, en toegang hadden tot alle voorrechten, en ook stemmen konden in de gemeentevergaderingen. De laatsten waren dezulken, die nog niet door den doop aan God en Christus toegewijd waren, en daarom niet toegelaten werden tot de openbare gebeden noch ook tot het heilig avondmaal of tot de gemeentevergaderingen." (lste Eeuw 2de deel cap. 2).

Van de tweede eeuw zegt hij (2de deel cap. 4 § 13). „Het Sacrament des Doops werd tweemaal des jaars openlijk bediend, op de feesten van Paschen en Pinksteren, hetzij door den Bisschop ot, ingevolge zijne volmacht en bepaling, door de Presbyters. De doopelingen, nadat zij de geloofsbelijdenis herhaald hadden, beleden en

Sluiten