Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minde voorwerp zijns harten aan te nemen, wat van de wereld is, en de dingen der wereld alleen behagen den wereldling, hoewel het einde daarvan is — de dood! (Rom. VI : 21—23.) De wereld gaat voorbij; maar die den wil Gods doet, blijft in der eeuwigheid. Welk een vreeselijke toestand ontrouw te worden aan Christus, en altijd in tweestrijd te zijn daar, waar de teederste genegenheid een volkomene eenheid zou hebben moeten tot stand brengen. En indien de machtige en vrije genade Gods niet tusschenbeide komt, zal altijd de Christen of de Christin moeten toegeven, en langzamerhand een wereldscben wandel gaan leiden; en dit is ook geheel natuurlijk. De wereldling heeft niet dan zijne wereldsche lusten; de Christen heeft, behalve zijn Christendom, zijn vleesch; terwijl hij bovendien, om zijn vleesch te voldoen, reeds van zijne christelijke beginselen heeft afstand gedaan, door zich te verbinden aan iemand, die den Heer niet kent. Het gevolg eener zoodanige verbintenis is, dat er geen gelijkheid van gedachte bestaat over hetgeen het dierbaarste moest zijn voor het hart met den persoon, dien men het meest liefheeft op de wereld, en die als een deel van onszelven is. Zij zullen dan ook steeds oneenig zijn, gelijk geschreven is: (Amos Hl: 3.) „Zullen twee te zamen wandelen, die niet met elkander overeengekomen zijn?" Of wel, er zal moeten toegegeven worden en smaak gevonden in de wereldschgezindheid, hoezeer dit treurig einde niet bedoeld wordt, wanneer men zich in den toestand begeeft, waardoor dit niet te vermijden valt. De Christen wordt langzamerhand meegevoerd; hij is niet in de gemeenschapsoefening met Zijnen Zaligmaker, en hij kan smaak vinden in het verkeer met

Sluiten