Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezig is, des te meer vertrouwen is er in den geloovige, waarmede gepaard gaat eene behoefte om voor den Heere te leven, die ons in de ure der verleiding met Jozef doet zeggen: Zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God!

Maar hoe is dan toch het betrouwen op den naam des Heeren bh' vele geloovigen zoo zwak? Salomo zegt niet, dat by' de godvreezenden alth'd een sterk vertrouwen is, maar hij leert ons, dat in de vreeze des Heeren zelve dit sterke vertrouwen wordt gevonden.

Vandaar dat het vertrouwen wijkt, naarmate de vreeze Gods vermindert. Gelijk een kind op onbekende paden angstig wordt, als het zich van zjjn vader heeft verwijderd, zoo ook de geloovige, wanneer hij in verwijdering van zjjnen God leeft, en in den dienst des Heeren traag wordt.

Gelukkig daarom zij, die met een Obadja kunnen getuigen, dat zij den Heere vreezen van hunne jonkheid af. Zij zullen met der daad ervaren, dat het waar is, dat Hij hen zal onderwijzen in den weg, dien z$ moeten verkiezen en dat zn', die Hem vreezen en- beminnen, gebrek noch schade zullen lijden. Want

's Heeren gunst zal over die Hem vreezen, In eeuwigheid altoos dezelfde wezen; Zijn trouw rust zelfs op 't late nageslacht, Dat zijn verbond niet trouweloos wil schenden, Noch van zijn wet afkeerig d' ooren wenden. Maar die, naar eisch van Gods verbond, betracht.

Maar dan dient deze kinderlijke eerbied zich ook uit te spreken in een dienen van den Heere in oprechtheid en waarheid.

De God des bpels vraagt toch naar waarheid in het

Sluiten