Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

quent geredeneerd', toch wel zeggen van sommige professoren aan de V. U.

Die stellen ook sommige Schriftgedeelten onzeker, b.v. het slot van Marcus 16 en gedeelten uit Jeremia. Zijn die dan ook op den ethischen weg?

En voorts hebben we gevraagd: als het niet vrij staat om een enkele uitspraak van Gods Woord niet-letterlijk op te vatten, staat het dan wel iedereen vrij (al zijn het heusch-wetenschappelijke menschen) zoo maar op eigen gelegenheid allerlei tekstcritische wijzigingen aan ie brengen?

Schuilt daar faeelemaal geen gevaar in?

Het blijkt toch wel eens, dat men zich met z'n tekstcritische wijzigingen vergistI *)

Kan dan op die manier ook niet Gods Woord' worden aangerand?

Is niet het Woord van God aan de Kerk gegeven (Rom. 3 : 2) 2) en is het daarom niet volkomen waar, dat de kundige, die hier heeft te schiften, niet het individu is, maar de Kerk?

Is het dan, op het standpunt van Assen niet noodig, dat de Synode zich eens over die dingen berade en zoolang het zwijgen oplegge!

De onwetenschappelijke schrijver van deze brochure zou zulk zwijgen niet durven eischen.

Maar eischt de consequentie van Assen het niet?

En onze Belijdenis, naar de letter geëxegetiseerdl

Het ging er dus niet om of Schriftcritiek en tekstcritiek hetzelfde is.

Het was slechts het doel aan te toonen wat de consequentie van Assen is en dat men die consequentie niet wil!

Op die inconsequentie nu mag ieder wijzen, ook al zou hij zelf voorstander van een voorzichtige tekstrevisie zijn.

In het wijzen daarop schuilt niets oneerlijks. En niets onwetenschappelijks!

Zou onze jonge doctor het nu begrepen hebben?

We hopen het.

Maar wat zal het hem dan spijten, dat hij zulk een flater sloegl

TEN BESLUITE.

We moeten nu wel eindigen. Veel ware nog te zeggen.

Daar zijn in onze Geref. Kerken menschen, die het monopolie wanen te bezitten van Gereformeerdheid, van wetenschappelijkheid en van andere dingen meer.

En met wellust hanteeren ze het stempel om naar welgevallen allerlei personen, die hun levensweg kruisen, het merkteeken te geven. En wee degenen, die het niet met hen eens zijn!

Ze hebben altoos ach en wee geroepen over de oud-liberale theorie van ,,wij en onze •vriendjes". Maar zelf zijn ze in die verafschuwde vaarwateren verzeild! Wat zullen we daartoe zeggen?

Niets! 1 In eigen kring maakt zulk doen opgang — maar op het breede terrein

der Gereformeerde gezindheid schudt men wel eens meewarig het hoofd, Wat ons aangaat, wij achten het oordeel der menschen, inzonderheid

dezer menschen, niet hoog.

'} We weten niet of de criticus „Woord en Geest" durft te lezen, Anders moet hij letten op het voorbeeld, dat Dr. van Leeuwen daarvan geeft. (Zie 4e jaarg. No. 1, blz. 3.)

Maar waarom eigenlijk daarheen verwezen? Onze wetenschappelijke criticus weet uit zichzelf voorbeelden genoeg!

2) In een vroegeren Kerkelijken strijd werd op grond van dezen tekst aoor de Oude A-richting aan de „opleiding do or de Kerk" vastgehouden.

Prof. Rutgers meende toei., dat in dezen tekst alleen van de Kerk als organisme gesproken werd.

Men is nu, practisch gesproken, vrijwel tot bet standpunt der oude Arichting genaderd. Denk aan de gebondenheid van de theol.faculteit der V. U

Men trekke nu hieruit de 'consequentie voor de tekstcritiek!

Sluiten