Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of men niet maar bloot uitwendig, maar ook innerlijk, geestelijk, tot de gemeente mag gerekend worden. Derhalve strijden beide uitspraken niet, maar ze behooren bij elkander. Wie maar op het geloof der gemeente wil leven, maar er niet toe komt om persoonlijk eigen hart en leven te onderzoeken, bedriegt zich voor*de eeuwigheid. Maar ook omgekeerd, wie maar enkel zijn persoonlijk geloofsleven rekent en niet acht op kerkelijk saamleven en de beloften Gods aan zijn erfdeel geschonken, die veracht Gods ordinantie en verzuimt het geloofsartikel van „de gemeenschap der heiligen".

En nu is de vermaning tot zelfonderzoek niet alleen gepast voor de kerk van Corinthe, maar ook roept de Heere thans ons toe om ons toch op de rechte plaats te stellen. Ach, hoevelen zijn niet in de strikken van eigengerechtigheid en van Joodsche werkheiligheid verward geraakt, alsof het Evangelie bestaat in spijs en drank, in loopen en werken, in een „raak niet, smaak niet en roer niet aan". En deze afdwaling maakt de menschen zoo hooggevoelende en doet hen meenen, dat allen die niet aan hun regel beantwoorden, nu groote overtreders zijn en vijanden Gods. En dan wordt het Evangelie, dat gepredikt wordt door getrouwe dienaren, ja dan worden Christus' dienaren zeiven aan deze hunne werkheiligheid getoetst, en natuurlijk — verworpen!

En nu komt Gods Woord tot ons en zegt: weest eerlijk met Uzelven en stelt Uzelven tegenover de Waarheid en beproeft Uzelven door en door of ge wel in het geloof zijt! In het geloof, waardoor „zondaren" en geene „rechtvaardigen" gerechtvaardigd worden. Onze plaats is niet, waar anderen worden beoordeeld, maar waar wij zeiven onderzocht worden. En ïn dien weg zal, al schijnt het tegendeel waar tè zijn, juist de geloofskracht toenemen. Dit zal blijken uit ons tweede deel.

II. Gelijk we reeds opmerkten, was het doel van Paulus' vermaning ni«t om de Corinthiërs in hun geloof te doen wankelen, maar integendeel om hen in geloofskracht te doen toenemen. „Of kent gij Uzelven niet, dat Jezus Christus in U is?" De Apostel gaat derhalve uit van de onderstelling, dat Jezus Christus in hen is. Hij gelooft, dat, hoe diep ook onder de asch verscholen en onder velerlei afwijking verborgen, toch het zaad des levens bij hen aanwezig

Sluiten