Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog eene aansporing noodig, aangezien nog zoo vaak ons geloof zwak is en de kennis des geloofs niet altijd even helder ons voor de aandacht treedt. Laten wij nu onderscheidenlijk deze kennis nagaan in haar inhoud. Ze is allereerst ontkennend: „wij hebben hier geene blijvende stad". Geene blijvende stad voor den godsdienst. Jeruzalem zou verwoest worden en daarmede ook al wat aan Joodschen ceremoniëndienst zou doen denken, worden weggenomen. Wie dit nu wisten door het geloof, stemden dan ook toe, dat het dwaasheid zou zijn nog langer op dit aardsch Jeruzalem het oog te vestigen. Dit Jeruzalem had zijn werk gedaan als zijnde teekening van het hemelsche, dat in de komst van den Heere Jezus Christus zich begon te openbaren. Van dit aardsch Jeruzalem zou geen steen op den ander blijven. Daarom dan ook erkend, dat we hier geene blijvende stad hebben. Maar niet alleen het Jeruzalem van beneden, maar ook het uitwendige der kerk is eveneens voorbijgaande. Niet, dat dit uitwendige niet noodzakelijk is. Integendeel, de kerk kan op aarde niet bestaan of ze moet eene uitwendige gedaante hebben. Hoorbaar en zichtbaar is de kerk in deze wereld. En dit is naar Gods bestel. En wel zoo, dat we volstrekt niet vrij zijn om naar eigen goedvinden dit alles in te richten. Neen, het moet alles zijn naar den Woorde Gods. Maar — en hierop dient ernstig acht gegeven — ook dit uiterlijke gaat voorbij, van. hoe hooge beteekenis het ook moge wezen. En daarom moet er geen steunen zijn op deze uiterlijke dingen, maar op de weldaden, die aan Gods kerk worden geschonken. Daarom, wie belijdt, dat hij hier geene blijvende stad heeft, zal, als 'tmoet, nog liever de uiterlijke kerkinrichting prijsgeven dan dat aan de waarheid zou worden tekort gedaan.

Wij hebben hier geene blijvende stad. Dit ziet niet alleen op het godsdienstige, maar ook op het burgerlijke en maatschappelijke. Ook hiervan is de verwoesting van Jeruzalem het bewijs. Niet alleen als stad Gods, maar ook als de hoofdstad van de Joodsche natie is zij te gronde gegaan. Zoo belijdt ge dan, dat al wat deze wereld biedt broos en onbestendig is. Zoolang we in deze wereld zijn» hebben we haar noodig, we moeten allerlei dingen gebruiken om te kunnen leven. Ed allerminst mogen we de werken van Gods schepping verachten of versmaden. Neen, met dankzegging mogen ze genoten worden. Maar tevens moet erkend, dat alles voorbijgaai

Sluiten