Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Turend zoekt — met 't oog — de wandlaar, En ontdekt het aan zijn' geur.

Fladdrend op zijn bonte wiekjes, Vliegt de schoone vlinder rond;

In de twijgen kweelt de zanger, En begroet den morgenstond.

Duizend vliegjes, gouden stofjes,

Stijgen opwaarts in het veld; Alles ademt, juicht en dartelt,

Daar de lente zich weêr meldt.

Ook ik juich bij al dat juichen;

Ook mij boeit een stille vreugd: 't Is de taal van Godes schepping,

Die 't gevoelig hart verheugt.

Ach ! dat nedrig veldviooltje

Geeft mij , door zijn kleur en gloed,

Vaste hoop, dat eens mijn leven Heerlijk zich hernieuwen moet.

Even als de schoone vlinder

Uit z\jn weefsel zich onthult, Stijgt de ziel, bij 't Hemelsch dagen,

Uit den nacht, die 't graf vervult.

Dan, dan rijst der englen lofzang,

Die der Godheid hulde biedt, Opwaarts tot den troon des Vaders,

Bij der schepping morgenlied.

Sluiten