Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ter waren dezen winter gestorven, en nu was zij alleen met haren vader. Groot was hare droefheid; niets was haar overgebleven ; niets bond haar -op nieuws aan het leven, dan dat zij de bloemen, eens de vreugde harer moeder en zuster, nog had behouden.

> Maar daar," zeide zij, » vind ik ook den besten troost: deze bloemen immers zijn de vreugde van mijnen vader, en zij zelve schijnen mij menig wóórd van troost toe te lispelen.

> Bij mijne eerste schrede in het tuintje is het mij reeds, of allgs mij toeroept: » God is de liefde", o, Zie ik dan de zon aan den hemel oprijzen en over mijne bloemen schijnen, die hare kelken, met paarlen van morgendauw versierd, oprigten , dan denk ik! zoo ook omringt ons de Hemelsche Vader met zijne liefde, opdat wij ons tot zijne aanbidding verheffen.

» Denk ik dan, in weemoed verzonken, hoe ik eens met mijne lieve zuster des morgens in de vroegte hier rondwandelde, en onze dierbare moeder daarna tot ons kwam, dan zou ik wel willen weenen; maar mijn oog valt op het Sneeuwklokje, en het schijnt mij toe te roepen: » Ook ik bloei reeds niet meer alleen; vele andere bloemen staan in mijne nabijheid: zoo zal het ook u gaan;' menig speelgenoot zal u troosten, wanneer uw hart weder voor troost vatbaar is geworden."

• Als het dan in mij spreekt: «Nimmer, nimmer vergaat die droefheid," dan lacht mij het vriendelijke Vergeetmijnietje toe en zegt: » Hoe kunt gij toch zoo droevig zijn? zij hebben u immers niet ver-

Sluiten