Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over zoo menig bijzonder kenmerk, dat de eene boven den anderen bezit, aan den mensch, als ware het, opdringt, en hem veel zegt, wat hem een nieuw licht over zoo menigen wonderen trek op het eigen gelaat of in het eigene hart wedergeeft.

Wie kent niet den driederlei vorm, waaronder de boomen zich aan het oog voordoen, de nederhangende takken der cipressen en treurwilgen, het zinnebeeld der droefheid, de rank opschietende populieren, het zinnebeeld der vrolijkheid, en de zich zijwaarts uitstrekkende armen van den eikenboom, die de mannelijke kracht vertegenwoordigen van een geslacht, dat, aan den eik gelijk, alle stormen des noodlots weêrstand biedt: wie herkent hunne beeldspraak niet in 's menscben aangezigt, die nederhangende trekken des gelaats bij eenen bedroefde, die lagchende opwaartsche beweging van den mond bij eenen blijde, en de mannelijke vastheid tusschen deze twee in van den ernstig bezadigde?

Immers toch al wat droefheid is, alle druk, alle tegenspoed, doet de trekken van den mond nederwaarts rigten ; het weenen mag den armen man dan toch wel nader staan dan het lagchen. De treurwilgen, de cipressen hebben voor hem iets aangenaams. De somberheid doet zijne ziel wel. En hoe langs hoe meer buigt zich het hoofd, ja de schou-i ders worden gekromd, de knien buigen zich, de handen hangen slap neder, en de mensch is als de boom, die zijn beeldlenis draagt. Geheel anders is het met den vrolijke: opwaarts verheffen zich alle trekken van zijn gelaat. De glimlach zelf is eene

Sluiten