Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Is mij, alsof uit hun kelken mij englens temmen toefluistren :

Wees niet bevreesd, dat de slaap dezer graven voor altoos zal wezen;

Want zelfs het bloempje herbloeit in de jengdige lente van nieuws weêr,

En ook deze vreedzame slapers zal eenmaal een morgen weêr wekken.

Rust niet het zaad eerst in de aarde, eer 't van nieuws weêr ontkiemt in de lente ?

Ziet gij niet hoe reeds daarboven het scheemrende maanlicht verdonkert,

't Sterrengeflonker allengskens verbleekt aan den donkeren hemel,

En hoe daarginds nu in 't oosten een lieflijke rozegloed flikkert,

't Rijzende zonlicht vol luister de donkere wolken vaneen scheurt,

Hoe ook de sluimrende bloempjes haar hoofdjes reeds weder verheffen,

Schittrende parels van nachtdauw de bloesems en

bladeren tooijen, En hoe het morgenrood alles omweeft met zijn

purperen stralen ? Zoo zal ook eenmaal een scheemring den nacht dezer

graven doorbreken: Dan, dan ontwaken de slapers, en 't morgenrood

glanst aan de kimmen, En eene onsterflijke lente ombloeit hen in schooner

gewesten!

Stille en vreedzame woning, hoe is 't mij zoo wel

hier om 't harte! o! Welke zaalge gevoelens doordringen mijn' klop-

penden boezem! Steeds zal ik gaarne óp uw graven, o vreedzaam

kerkhof! verwijlen,

Sluiten