Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22.

Wie zou niet, wanneer de herfst nadert, en het zangkoor der vogelen allengs begint te verhuizen , en do bosschen en beemden stil en zwijgend teruglaten; als de ooijevaar eene warmere landstreek opzoekt; als de zwaluwen haar leemen huis ledig laten; als de nachtegalen den langen nacht niet meer verkorten door hun heerlijk lied; — wie , als hij al deze vogelen ziet heentrekken, en de duizenden van distelvinken en roodborstjes, ijlings en slechts in de vlugt over ons heen, een warmer land opzoeken; — wie zou dan niet, terwijl alles zoo koud, zoo dor, zoo treurig rondom ons heen wordt, ook eenig stil verlangen in zijnen boezem gevoelen? Maar zonderling is het, dat en den mensch en den vogelen een dubbel heimwee ingeschapen is: een heimwee naar schooner, heerlijker gewesten ; dat stil verlangen naar een Vaderland, waar ons geene noorderstormen meer omloeijen, waar geene winterkoude nijpt, waar de nacht zoo lang niet is, waar de boomen hunne blade ren, de planten hare bloemen niet verliezen.

Een ander heimwee, veel zonderlinger, is echter dat der wederkeering naar dien kouden grond der geboorte. Het is het verlangen naar het Vaderland hierbeneden. Gij ziet het in den ooije vaar, die, reeds als in Februari) de koude nog vreesselijk woedt, herwaarts komt, en zijn verlaten nest opzoekt; in de zwaluwen, die, zoomin als de nachtegalen , de gure lentedagen voorbij laten gaan, maar reeds dan hier zijn, als het lied der zangers nog eene spotternij met onze

Sluiten