Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontwaken van den goudkleurigen vlinder, die met zijne ligte vleugelen voortzweeft, alsof hij een nieüw, oen ander wezen geworden ware. Was het dan ook vreemd, dat de jeugdige hebei., de liefelijke Zanger der Natuur, in zijne kindschheid zich eene.menigte rupsjes opzocht, dezelve bewaarde, totdat zij popjes werden? Deze legde hij dan in een daartoe vervaardigd houten bakje, in eenige aarde met mos bedekt. Daar maakte hij dan grafheuvelen op, en zette ér lijksteenen en kruisen volgens Zwitsersch gebruik op, en wachtte nu den dag van derzelver ontwaking af. Hoe groot was dan de vreugde van den kleinen knaap, die reeds zoo vroeg toonde, dat hij den diepen zin verstond, dien de Schepper in zoo menige schoone metamorphose in de Natuur had gelegd, alsof Hij ons met diepe trekken onze heerlijke toekomst in het hart wilde prenten! eene toekomst, waarop alles, wat de aarde geeft, zoo zeker wijst, als zij den dood verkondigt, die den sterveling wacht.

Alle gevleugelde insekten toch ondergaan deze groote verandering, welke telkens als eene niéuwe schepping den mensch toeroept: ook u wacht eenmaal zulk eene verandering! Wie- zou het aan zoo menigen worm, dien hij voort ziet kruipen, zeggen, dat uit denzelven eenmaal zulk eene schoone gevleugelde goudtor zich ontwikkelen zou ? Wie, die den zelfs, zoo verachten kikker gadeslaat, staat niet verstomd, als hij hem in zijne talrijke, gedaanten ziet, eer hij vernieuwd tot zijne eigene bestemming "overgaat?

Werpt niet de slang, zoowel als de zijworm, hare huid af, om den mensch met eenen job toé te roe-

Sluiten