Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als die schoone morgen nadert, Die ons alle weêr hereenigt In het Hemelsch Vaderland!

27.

Even dezelfde treffende taal, en verkondiging der onsterfelijkheid, voert de Natuur ook in de opvolging van den morgen, den middag, den avond, van den donkeren daaropvolgenden nacht, en daarna weder van het morgenrood. De kindschheid des menschelijken levens, hoe is zij zoo betooverend wedergegeven in het ontwaken van eenen schoonen morgen, waar, om het morgenrood heen, alle vogelen hun heerlijk lied zingen, en de gansche schepping een jubelfeest schijnt te zijn ! Bedrijviger wordt de dag, al naar mate de zon rijst, werkzamer het leven, hoe meer de jaren klimmen. De mannelijke leeftijd gevoelt het allermeest de waarheid van de spreuk: in het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten ; maar het is met dat al de middag des levens, de tijd der hoogste kracht en ontwikkeling. Naauwelijks echter is het hoofdpunt van werkzaamheid daar, of reeds daalt de zon. Reeds nemen de krachten af: alles vergaat, even als het gekomen is; de zon neigt zich ten ondergang. De mensch gaat naar zijn eeuwig huis. Nu volgt er nog eenmaal een jubelfeest. Het is het avondrood in de alom tot rust gestemde Natuur. Dat feest is zacht en liefelijk, nog zachter dan het geboortefeest. Het is de dood. Stil zinkt de nacht met hare schitterende pracht over het aardrijk ; zij gebiedt

Sluiten