Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den slaap, den broeder des doods, dat hij opkome en de moede leden door eene zachte rust tot nieuwen arbeid voorbereide. Zacht wandelt de maan daarhenen met hare gezellinnen, de starren. Het is, alsof zij zeggen willen: ook de nacht des doods is niet onverlicht, en niet enkel duisternis. Neen! liefelijk, als een landschap in het maanlicht, is de tusschentoestand tusschen den dood en de opstanding. Het is een droom. Thans eindelijk daagt er weder een morgen, weder een morgenrood, een nieuwe dag. Alsof hij de bode der onsterfelijkheid zijn moest, volgt hij eiken dag van nieuws, tot de laatste nacht komt, waarop een dag aanbreekt, dien geen nacht meer volgt.

Hetzelfde verkondigt de lente, zomer, herfst en winter, in nog veel krachtiger trekken. Is niet de lente zelve het lagchend morgenrood, ja de morgenstond der gansche schepping een zoo veelvoudig beeld eener liefelijke kindschheid, waar alles vreugde ademt, waar het leven nog> ongekend heenvloeit, en toch alleen het weemoedige lied der liefde, de nachtegalenzang gehoord wordt ? Duizende bloesems ontwikkelen zich en zijn een spel der winden; duizende zaden ontkiemen, en heerlijk is.het vooruitzigt, waar ook het oog zich wenden moge. Oneindig des menschen bestemming, zijn aanleg, zijne kracht; het is eene lente, die zich ontwikkelt, alsof zij tienmaal de aarde met haren rijkdom zoude aanvullen.

Maar de zomer komt. Het is alles zoo ernstig geworden; zoo menige bloesem verging, zoo menige vrucht viel ontijdig af. Het heet nu werken, arbei-

Sluiten