Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den, om tegen den herfst de vruchten te kunnen inoogstcn. De mensch kent zijne eigene kracht niet, weet niet hoe veel hij vermag. Het geringste zaadje, in dezen tijd tot groei gekomen, hoe-heerlijk gedijt het!

Nu zalfde oogst komen. Voor het eerst denkt de mensch: wat zonderlinge zaak! ik zal oogsten, en toch, ik weet, dat ik heengaan moet; ik zal zorgen voor den winter, en reeds worden mijne haren grijs, mijne krachten nemen af. De oogst is rijk. Daar komt de. winter, koud, guur en onaangenaam. Maar wat wonder Verschijnsel is het, dat de boom,, als de bladerdos verdwijnt, reeds de knoppen draagt der vruchten voor pen volgend jaar! Reeds is de kiem van eene nieuwe en heerlijke bestemming - daar, en nog moet de winternacht eerst kernen.

Winternacht, doodslaap, ijzeren rust! als gij voorbij zijt, dan daagt de lente van een nieuw leven.

Zoo gaat de Natuur steeds voort in gelijkheiden evenredigheid met het menschelijk leven. Zoo de dag, zoo de nacht, zoo de lente, zomer, herfst en winter.

28. Uitzigt.

Er komen dikwijls oogenblikken in ons leven voor, waarin hetzelve als door eenen dónkeren nevel bedekt schijnt, door welke geen straal der hoop dringen kan, en wij vragen ons onwillekeurig af: » Zal dan de nacht eeuwig duren, en 'heV morgenrood nimmer dagen ?"

Sluiten