Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door een' konden lach bedekt, Dartiend heffen de zefiren U haast op uit 't schomlend wiegje. Zie de ruwste storm uws lerens Loeit rondom u heinde en veer; Haar in 't sneeuwkleed ademt, gloort, Lacht en sluimert 't wichtje voort.

FEBRUA R IJ.

Dit de zwachtels maakt het Godskind,

De Natuur, zich zachtkens los,

Rekt en buigt de teedre leden, g

Langzaam zwelt der knoppen tal. —

Zorgend echter spreidt de moeder,

Huivrend voor het suizend noorden,

't Sneeuwwit kleed weêr over 't wichtje

Waakt en bidt;

En nu zoo koestrend

Vprwarmd en bedekt,

Sluimert haar kind -

Tot de leeuwrik het wekt.

MAAR T.

Storm en loei nog toornig voort,

Hulpbehoevend wicht!

Ziet niet Haart de' lente tegen,

Toont de zon niet reeds

't Lagchend aangezigt?.

Maart! uw toorn is ongemeend;

Neen gij zijt niet boos;

'k Zie u lagchen als gij slaapt,

5*

Sluiten