Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ach! zoo moeten 's lerens stormen- I Ons doen smachten naar de moedert Wat ver welke, wat verbleeke, Naar het Rijk des vredes zweeft Al wat leeft.

HEI.

Lieve maand! zijt gij verschenen ? Lente der Natuur, des levens! Lagchen niet met cnglcnblikken, Bloeijend ons uw wangen tegen ? Schittrend straalt de heldre hemel; Zie de bonte rij der bloemen Maakt zich vrij van alle banden, En verlaat den schoot der moeder. Zalig zijt gij, zalig, Bloeimaand! Alles wat op aarde woont, Jubelt tot u vol verrukking. Wat al streven, wat bewegen, Welk een juichen, welk een lust Stroomen door de borst der menschen! » Wellust!" roepen onze blikken; » Wellust!" roept geheel de Schepping. » Klopt het hart niet hevig, Kom, mijn vriend ! Hier de hand,

't Zuiverst onderpand der trouwe!" Aan den teedren maagdenboezem, Ach! hij kan 't niet wederstaan, Zinkt de jongling ; In een' kus vol zaligheid

Sluiten