Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

snorden vaak langs de hagen ; toen ik dat alles overdacht, kwam het mij voor, of de Natuur mij in al deze bewoners niet eenig zinnebeeld van eene wereld had willen geven, die de Heilige Schrift de magt der duisternis noemt. Stelle men zich toch slechts den nacht voor, met al die vreesselijke wezens, welke in denzelven ontwaken, om hunne prooi op te zoeken r van den leeuw , den koning der verschrikking af, tot de pad, die aan den voet der menschen kruipt, en welker aanraking hem reeds een' killen schrik aanjaagt; van den uil met zijne vurige oogen, en zijne den dood verkondigende stem, tot de vledermuis, met hare afzigtelijke gedaante; van de nachtkapel, met het doodshoofd versierd, tot de zwarte tor, met hare groote knijpers.

Alle gindsche roofdieren en roofvogels geven zulk een somber beeld aan de duisternis van den nacht, dat de ziel des eenzaam wandelenden vreemdelings, in eiken hoek der aarde, den nacht steeds als met een' drom van schrikbeelden vervuld, beschouwen moet. Ja wat meer is, als hij de gansche schepping zoo vol ziet van beeldspraak, wie zal dan ook hier niet aan eene verborgene wereld denken, die in het gebied der geesten zulk een geheim en vreesselijk bewind voeren ? Wie zal niet gelooven, dat hij op zijne levensreize in even dezelfde gevaren voor zijne ziel verkeert, als hij ze ligchamelijk rondom zich aanschouwt, alle herkomstig van den Overste der duisternis?— maar wie zegt ook niet : het schijnt ons bijna toe, alsof juist de Eeuwige Liefde een ander heerlijk zinnebeeld midden in deze verschrik-

Sluiten