Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De aap zegt dus lagcheu.de tot den mensch: ik ben ook uw natuurgenoot, eu gij zijt wat ik ben; wanneer gij het spoor der zelfstandigheid verlaat, waartoe gij geroepen zijt, en een' ander' nabootst, dan treedt gij even zoo ver beneden hetgene gij wezen moest en kondet zijn, als gij nu den aap beschouwt als beneden u zei ven staande. Vaak heb ik deze satire der Natuur gadegeslagen; maar steeds is mij niets in den beginne zoo lagchende, in het einde zoo ernstig, voorgekomen.

De mensch, naar Gods beeld geschapen, is geroepen tot zelfstandigheid ; ieder, ook de minste, heeft een talent ontvangen. Heerlijk is het, dat talent te bezigen; maar dwaas, zijn eigen talent te laten varen, en dat eens anderen over te nemen. Dan mag men aan den aap denken, die nimmer anders doet, denkt of wil, dan hetgeen hij een' ander' ziet doen, denken of willen.

Dan mag er een medelijdende glimlach op het gelaat ontwaken, en om den mond spelen. Immers toch, zoo gering als de mensch wordt, als hij ook het heerlijkste spoor eens anderen volgt, zoo heerlijk zou hij zijn, als hij het voor hem geschikte, door hem zeiven te kiezen pad wilde bewandelen. Hier zou het einde zijn, een karakter, dat zich onderscheidt, vaststaat, ' waarvan, men weet, wat men van hetzelve te wachten heeft. Ginds zou het wezen , nabootsing, karakterloosheid, geheele ledigheid, en aan het einde .wanhoop. Hier de edelste nederigheid, ginds de ingebeeldste verwaandheid. Hier rijkdom naar de ziel, zelfs in armoede des

Sluiten