Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beide broeders! want ziet, zal de een uwer eene plaats vinden hoog op den steenklomp , de ander in de diepe beek: ik daal neder op den weg. Daar gaat de mensch voorbij, het pronkstuk van Gods schepping, die zal mij zien, het sieraad der eikels, en ik zal hem zijn tot eene stoffe van bewondering; en, terwijl gij vergeten raakt, neemt hij mij op, en plant mij in weelderigen grond, en t'A word, ver van hier, een sieraad der schoonste hoven." •> inb

» Het kan zijn, dat uw lot gelukkig is," zeide de laatste eikel tot de drie andere; «ik voor mij heb echter nooit getracht naar groote dingen; ik zal tevreden zijn met het kleine grasperkje, dat mij besehoren is: een weinig koele aarde, die eerlang misschien een vriendelijke mei boven mij opwerpen zal, dekke daar mijne kruin. Dan hoop ik langzaam op te wassen en te gedijen en vruchten voort te brengen. — .Groei ik dan op aan de. zijde van mijne moeder, dan zal, hoop ik, vroeg of laat, ook mijn stam eene eere worden dén plaats,.die zij bekleedt."

Toen nu de herfst kwam, vielen de eikels, rijp geworden zijnde, ter neder, en alle verkregen hunnen wensch.

Maar ziet, hij, die op de hooge ruïne viel, lag daar naast zijn hulsel, wel, in den eerstel} tijd, ver verheven boven alles en eene uitstekende plaats bekleedende; maar hij kon geene wortelen schieten, en bleef, in storm en regen, een arme eikel, wien niets dan zijne hooge plaats eenige grootheid bijzette, Hij lag er jaar in, jaar uit, tot eindelijk de worT men aan hem knaagden en hij nutteloos verloren ging.

Sluiten